De Europese maat

EEN GOLFJE VAN ONRUST slaat over Europa. De fractie van de CDU/CSU in de Bondsdag is het nieuwe politieke seizoen begonnen met de openbaring van haar gedachten over de toekomst van het verenigde Europa. De inhoud is allesbehalve vernieuwend. De theorie van eenwording volgens verschillende snelheden of via een variabele geometrie die er in wordt aangehangen, is in de afgelopen jaren al van allerlei kanten verdedigd, onder meer door de vertrekkende Commissievoorzitter Jacques Delors. Sterker, het verdrag van Maastricht is de in juridische tekst gestolde neerslag van die theorie. Maar drie factoren hebben rondom de Duitse studie toch enige spanning doen ontstaan: de wetenschap dat kanselier Kohl zich erin kan vinden, de opmerkelijke samenloop van omstandigheden dat de Franse premier Balladur enkele dagen eerder in een vraaggesprek ongeveer hetzelfde heeft gezegd en het feit dat in het Duitse rapport man en paard worden genoemd.

Vooral dat laatste heeft een schrikreactie veroorzaakt. Het is immers geheel iets anders of een lidstaat soeverein afstand neemt van een volgende fase in de gezamenlijke integratie of dat anderen voor die lidstaat de deur dichtslaan. De opstellers van het rapport onderstrepen achteraf weliswaar dat daarvan geen sprake is, maar hun conclusie dat voortgang niet mag worden bepaald door de langzaamste in het gezelschap is hard genoeg om toch de indruk van bewuste uitsluiting te wekken. 'Wij gaan vast vooruit en hopen dat jullie ons zo spoedig mogelijk weer inhalen', klinkt bijvoorbeeld aanzienlijk sympathieker.

DE ONRUST IS VERMOEDELIJK versterkt doordat hier een nieuwe Duitse assertiviteit is getoonzet en dat de objectieve werkelijkheid daaraan een zekere logica verleent. In 1997 zal ingevolge 'Maastricht' de volgende stap moeten worden overwogen op de weg naar volledige Europese monetaire integratie (één Europese munt en één Europese centrale bank inhoudend). Dan zullen de criteria voor de deelneming van individuele landen aan die volgende fase moeten worden toegepast. In Maastricht zijn de criteria geformuleerd maar dat sluit onenigheid op het beslissende moment niet bij voorbaat uit, evenmin als pogingen om de overeengekomen voorwaarden wat af te zwakken. Bijvoorbeeld zou de richting van de ontwikkeling van de volkshuishouding in een bepaald land belangrijker kunnen worden bevonden dan de feitelijke toestand op dat bewuste moment.

De Duitsers hebben zich er steeds weer allergisch voor getoond dat de toekomstige Europese munt zwakker zal zijn dan hun eigen vertrouwde mark. Met argwaan bekijken zij dan ook de aanstaande overvleugeling van de Bundesbank door een Europese instelling waarin te grijpgrage handen de kluizen zouden kunnen openen. De leiding en Europa-experts van de CDU/CSU-fractie hebben tegen al dit soort kwade kansen in een vroeg stadium stelling willen betrekken. En de lidstaten die moeten vrezen straks in het Duitse zweetkamertje niet volwaardig te worden bevonden, hebben dat onmiddellijk zo aangevoeld.

DE VRAAG IS NU NIET of de gedachte aan een zekere verscheidenheid in de ontwikkeling van de Europese integratie verstandig of onverstandig is. Het gaat veeleer om de onderkenning dat de Europese eenwording een moeizame exercitie blijft waarin niet teveel tegelijk moet worden ondernomen. Enkele nieuwe lidstaten staan voor referendums over hun voorgenomen toetreding. Niemand is ermee gediend die volksraadpleging meer te belasten dan strikt noodzakelijk is. Op de 'timing' van de Duitse studie valt dus wel iets af te dingen, hoeveel begrip overigens voor de Duitse zorgen kan worden opgebracht.

Voor 1996 staat de herbezinning op 'Maastricht' op de agenda, een jaar later, zoals gezegd, de vraag of een meerderheid van lidstaten in staat is de volgende stap in het proces van monetaire eenwording te zetten. Is dat onverhoopt niet het geval, dan kan twee jaar later alsnog met een minderheid de monetaire unie worden verwezenlijkt. Er bestaat dus een programma voor de wijze waarop de integratie verder dient te verlopen. Het zou een slechte gewoonte kunnen worden om elkaar onderwijl voortdurend de Europese maat te willen nemen.