Wimpers

Terug in Grindelwald. Vanuit het dal naar Unterläger, Mittelläger, Oberläger, hoger nog: tot bijna vijfentwintighonderd meter wordt het landschap door de koe behapt. Ze heeft hier sterke benen en ze luidt met elke stap de bel.

De ene koe die graast alleen. Dan klinkt het luiden helder en bekend. Zo klonk het bellen van de ijscoman, of van de bovenmeester als de school begon. Maar verreweg de meeste grazen in een groep. Die luiden kriskras door elkaar. Toch wordt het warren van hun bellen tot een melodie. Het vloeit als water van de bergen, dit geluid. Het tinkelt als de glazen hangers van een luchter bij het open raam.

Een aantal heeft zich afgezonderd op een ver plateau. Er is er, toen de rest ging liggen, eentje blijven staan. Die beeldt zich in dat zij een steenbok is, met grote scherpte uitgesneden in de blauwe lucht.

Ons uitzicht op die koe.

Het uitzicht van die koe op ons.

Daar staat er trouwens ook weer eentje op ons pad. Ze kijkt je met haar stille ogen aan. Ze heeft de wimpers van een femme fatale. Iets onbereikbaars dus, iets zeer droefgeestigs ook.

We komen aan haar neus, haar kaak, haar oor. Zelfs aan haar horens komen wij, en aan haar hals, de brede leren band, de holle bronzen bel. Wat zwaar zo'n ding. Die bellen, oppert een van ons, zijn vast bedoeld om hun koppen bij de grond te houden.