Van achter het vijgeblad

Een lauwe ochtendbries strijkt langs de spinnewebben in het raamkozijn. Ergens ver weg in huis klinkt het gehuil van een kind. Verder heerst de stilte hier in de bergen. Het enige wat je voelt is het bonken van je hart. Elke slag rolt over de vorige, steeds iets sneller en iets luider. Net als je denkt waar moet dat heen met deze galop, meldt de wereldomroep zich met het nieuws en ben je even ontsnapt aan de 'vakantiestress'.

Door het ontbreken van straatrumoer en andere afleiding ga je voor de vuist weg zitten denken en plotsklaps waaien de gedachten bij je binnen. Je daalt af in je eigen muizenissen en zie daar maar op eigen kracht weer bovenop te komen. Wat je niet allemaal aantreft in zo'n veertig jaar oude put! Op de meest onverwachte plekken stuit ik op jeugdliefdes, die ik allemaal trouw wil beloven. Al is het maar met terugwerkende kracht.

Een sprinkhaan kijkt me aan vanaf de andere kant van het tafelblad naast de koffiepot. Zijn lange voelsprieten maaien onvermoeibaar in het rond, op zoek naar nieuwe hindernissen. Het lijkt alsof hij op iets kauwt. Dan komt er plotseling beweging in de roerloze pose en volgt een onbeholpen sprong. Ik kijk en zie dat hij zijn achterpoot ter linkerzijde mist. Even denk ik iets van mijn scheefgang te begrijpen.

Nu de valbijl van veertig de eerste levenshelft van de tweede heeft gescheiden - ik hoop althans dat ik tachtig word - moet het maar hardop worden gezegd. Wie nu nog denkt door het leven te gaan als 'jong en veelbelovend' vraagt om hoongelach. Nee, het had natuurlijk allang moeten gebeuren en nu moeten we ons oefenen in taaie soberheid. Er zit even niets anders op, de komende veertig jaar.

Ondertussen sneuvelen de laatste taboes. Nog nooit had ik kleding in een supermarkt gekocht. Zoiets leek me wel het ergste dat de mens zichzelf kan aandoen. In zo'n graaipaleis heb ik nu een fietsbroek aangeschaft, eentje met bretels en een zeemleren kruis. De vezel is heel bijzonder, zeggen ze, want zij houdt de wind tegen en laat het zweet door. De broek zit als een tweede huid en glimt alsof er een laagje glazuur op zit.

In dit SM-pak martel ik me tegen het einde van de ochtend de berg op. De koeien wenden hun logge koppen af. Dit is een man met de veertig als horizon en de zwaartekracht als vijand. Onwillig duwen mijn benen de trappers rond en stokken bijna bij de steile klim die langs het dorpsrestaurant loopt. Gelukkig is het terras leeg. Hier zuigt de weg het ergst en voel je zon in je rug branden. De Mont Ventoux is nooit ver weg.

Ik heb geleerde verhandelingen gelezen over het verschil tussen de cultuur van de schuld in het Westen en die van de schaamte in het Oosten. Maar eerlijk gezegd wisselen beide emoties elkaar heel harmonisch af in deze dagen. Groots is het allemaal niet, was het trouwens ook nooit. Maar bij wijze van troost kan wel gelden dat groots geluk niet bestaat of heel kort duurt. Echt meeslepend zijn alleen de fouten en de ruzies die worden gemaakt. Die herinnert men zich lang, poeh!

Het is drukkend warm buiten. In de schaduw van een vijgeblad tel ik de laatste dagen voor de overgang. Langzaam dringt het tot me door dat je vanaf veertig te maken krijgt met een scheldwoord als 'kwiek'. Dat is heel erg. Een man van middelbare leeftijd, elk woord een mokerslag op mijn toch al zwakke humeur. Het wordt tijd om de Avenue te gaan lezen en een vest aan te schaffen. Misschien moet ik mijn rijbewijs gaan halen.

Ik heb mijn schaamlapjes geteld, ze moeten naar de wasserette. Dan zijn ze weer helemaal fris om dienst te doen in de komende jaren. Wat zullen we ze nodig hebben, de uitvluchten, de excuses, het gesmiespel. Van mijn soort uitstel komt geen afstel, suggereer ik meestal, het is meer een omtrekkende beweging teneinde voordeliger te kunnen toeslaan. En dan heb ik nog betrekkelijk weinig te verbergen. Hoe langer de beweging duurt, des te vaker trekt men een lange neus langs de kant. Geef ze eens ongelijk. Je kunt maar beter veinzen opgewekt bezig te zijn, anders gooien ze je eruit.

Van de nood een deugd maken is een levenskunst bij uitstek. Zo kun je beweren dat ik aan het begin van de tweede helft van mijn leven sta. Onbevangen en vol goede moed, mij krijgen ze niet klein. Nee, echt niet. Er staat nog van alles te gebeuren, de oogsttijd moet nu komen. Dat hoor je toch van iedereen. Lees de literatuur er maar op na. Je kijkt de hele wereld recht in de ogen, zet je kaken op klemvast, laat de definitie van je biceps even zien, en daar verrijst een karakter. Moet u ook nog een boek schrijven?

Zou je op een geloofwaardige manier de overgang kunnen maken van 'jong en veelbelovend' naar 'laatbloeier'? Slinks, zodat het niemand opvalt. Dat je daar ineens staat als iemand die op latere leeftijd de geest kreeg. Men stoot elkaar aan, goh dat is leuk, zomaar ineens uit het niets zo vlak voor de VUT. Die heeft lang nagedacht. Dat is bijzonder in deze vluchtige tijd vol broodschrijvers.

Langzaam begint het te schemeren hier in de bergen. De zwaluwen zwenken laag over de bomen. Nog even en het onweer komt zoals vrijwel elke avond. Een verpletterend kabaal dat het dal van alle kanten in lichterlaaie zet. Dan begint de regen te kletteren. Sinds ik in een huis heb gewoond waar ik met een emmer naast me in bed sliep, houd ik niet van regen 's nachts. Buiten hoort niet binnen, zoiets geeft een onveilig gevoel.

Renate Rubinstein zag alles in het juiste perspectief: “Was ik maar op mijn veertigste getrouwd met een man van zestig, ik zou nog steeds ballen in het plantsoen en vermaand worden om voorzichtig te zijn in het verkeer.” Alleen, toen ze dat schreef was ze al heel wat ouder. Mijn grootmoeder kreeg toen het zover was van haar man een grote 40 van paarse en rode heide, die hij bij de bloemist had laten maken. Dat leek hem een leuke geste. Ze is daar heel depressief van geworden.

Ook de man wordt niet graag veertig. Verder ben ik reuze opgeruimd. Volgens het late bulletin van de wereldomroep hebben we een regering en ook al maakt hun parlementaire verslaggeving een weinig betrouwbare indruk, dit wil ik wel geloven. Het schijnt een ploeg en een program vol elan te zijn. Ze berichten dat Kok in de voetsporen van Drees treedt. Dat in het midden van de jaren negentig zo maar opeens de jaren vijftig weer voor de deur staan. De cirkel is rond, het wachten is enkel nog op een watersnood die het land aaneensmeedt. Wat zijn die veertig jaar snel omgegaan! Ik hoop dat de volgende veertig zich wat geduldiger betonen.

Het hotel onderweg kan ik trouwens iedereen aanraden. Goed, de handdoeken ruiken naar konijn, mijn vrouw werd bijna aangerand door de koksknecht, de dijen van de eigenaresse zijn immens en doorregen met spataderen en het bed is een zuchtende ligkuil. Maar wat is er eigenlijk tegen een konijn, een koksknecht, spataderen en een ligkuil? We hebben per ongeluk de sleutel van kamer zes naar huis meegenomen, dus u kunt er zo in.