Roemenië worstelt met minderhedenwet

BOEKAREST, 5 SEPT. Het centrale plein van Cluj in Transsylvanië is kandidaat voor een interessant archeologisch project: de opgraving van een Romeins forum. Het is de bedoeling van deze opgraving - op zes meter diepte - een openluchtmuseum te maken, omringd door een winkelcentrum.

Dit soort stadsvernieuwing pleegt toch al de nodige voeten in de aarde te hebben, maar in Cluj heeft het deze zomer geleid tot een explosieve situatie. Op het plein staat namelijk het ruiterstandbeeld van de vijftiende eeuwse Hongaarse koning Mathias. Het standbeeld heeft grote symbolische waarde voor de Hongaarse minderheid van de stad. De lont is nu even uit het kruitvat gehaald, maar daar is dan wel de Hoge Commissaris voor minderheden van de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE), Max van der Stoel, aan te pas gekomen.

De controverse illustreert hoe gecompliceerd en gevoelig de minderhedenproblemen in Roemenië liggen. En de Hongaren zijn nog een relatief grote en - ook politiek - goed georganiseerde minderheid, met bovendien de steun in de rug van een nabuurstaat.

Roemenië werkt aan een nationale minderhedenwet om de positie van de talrijke etnische groepen in het land een juridische grondslag te geven. Politiek gezien is dat al geen eenvoudige zaak. Daarbij komt nog twijfel of de voorgestelde regeling de toets kan doorstaan van internationale afspraken waaraan het land zich heeft gebonden. Dit bleek eind vorige week op een seminar in Boekarest over de minderhedenwet, georganiseerd door de Roemeense Raad voor nationale minderheden in samenwerking met het Nederlandse Helsinki Comité.

Een punt van juridische twijfel betreft de positie van de zigeuners (Roma), een belangrijke - en benarde - minderheidsgroep. De voorgenomen wetgeving is alleen van toepassing op minderheden voorzover hun leden het Roemeense staatsburgerschap bezitten. Dit onderscheid treft vooral de Roma, van wie slechts een deel een vaste woonplaats heeft. De positie van deze minderheid is tragisch, gevangen als zij is tussen de rol van gevestigde minderheid en het traditionele streven naar een ongeregeld bestaan. De zigeunertaal is nog slechts enkele jaren vastgelegd op een wijze die het mogelijk maakt om het recht op onderwijs in de eigen taal, een belangrijk hoofdstuk in de minderhedenwet, te realiseren.

De onwelwillendheid gaat verder dan de kwestie van de juridische definitie. Een huiskamerproject voor onderwijs aan zigeunerkinderen stuit tijdens de conferentie op onverholen wrevel van een topman van het ministerie van onderwijs: “Kent u de vestigingseisen voor het onderwijs niet?” Een hoge functionaris van de Raad voor de nationale minderheden wenst zelfs in de wandelgangen de gedachte aan reizende schoolwagens niet eens in overweging te nemen.

Ook voor het gevestigde deel van de zigeuners is het leven in Roemenië onzeker. Letterlijk. In 1991 staken autochtone dorpelingen in het noorden twintig huizen van zigeuners in brand, waarbij vier mensen om het leven kwamen. Negen personen zijn inmiddels veroordeeld, maar ze kregen niet meer dan een half jaar gevangenisstraf en dan nog voorwaardelijk. De Roma-woordvoerders op de conferentie klaagden dat de reactie van de overheid “minder dan niets” was: een teken dat hun soort vogelvrij is.

De reactie van politiekolonel Ovidiu Paun maakte de zaken er niet beter op. De brandaanslag trof “alleen zigeuners die een strafblad hadden”, zei hij, onmiskenbaar in het nauw gebracht door kritiek van de Roma. Hij voegde er ietwat hulpeloos aan toe dat zoiets ook gewone Roemenen zou kunnen gebeuren. Er is doorgaans maar een handjevol politiemensen beschikbaar in vaak verafgelegen dorpen en zij beschikken niet over moderne verbindingsmiddelen. De Raad van Europa moet nu bijspringen, al vroeg een deelnemer aan het seminar zich binnensmonds af waar alle hulpbronnen van de Securitate van het oude bewind opeens zijn gebleven.

In de discussie over de minderhedenwet geldt als handicap voor de Roma dat zij verbrokkeld zijn. Er zijn meer dan dertig stammen, verschillende zigeunerkoningen (en zelfs een keizer), een groot aantal belangengroeperingen en diverse politieke partijen. De Hongaren zijn als grootste minderheid veel beter georganiseerd. Zij hebben een alternatief ontwerp van een minderhedenwet ingediend, dat op onderdelen juridisch sterk scoort. Het is echter de vraag of zij deze punten kunnen binnenhalen. De oppositie in het parlement waartoe hun politieke partij behoort, heeft hun alternatief-wetsvoorstel niet overgenomen. De Hongaren hebben bovendien hun directe medewerking aan de Raad voor nationale minderheden opgeschort.

De politieke situatie is er volgens de coördinator van de Roemeense Raad voor de nationale minderheden, Viorel Hrebenciuc, niet beter op geworden doordat de Hongaarse minderheid onlangs is toegetreden tot de UNPO, het alternatieve verband van 'niet-vertegenwoordigde' volkeren in de wereld. Dat roept het voor de Roemenen onbespreekbare spookbeeld op van een aanspraak op zelfbeschikkingsrecht.

Hrebenciuc noteert wel dat de verhouding tussen Roemenië en Hongarije na de regeringswisseling in Boedapest aanmerkelijk is opgeklaard. Er wordt nu gewerkt aan een bilateraal basisverdrag. Maar de interne discussie over de minderhedenwet blijft moeilijk. De Nederlandse oud-ambassadeur J.de Hoop Scheffer (thans verbonden aan de stichting die de Hoge commissaris Van der Stoel ondersteunt) concludeerde dat de problemen niet in de laatste plaats van “psychologische aard” zijn. De kritiek op de juridische positie van de zigeuners is een goed voorbeeld. Op grond van de internationale verdragen waartoe Roemenië is toegetreden mag Boekarest de bescherming van deze minderheid niet beperken tot de individuele zigeuners die het Roemeense staatsburgerschap hebben maar dient het haar uit te strekken tot alle zigeunergroepen die een duurzame band hebben met het land.

De Roemenen voerden daartegen aan dat de eis van staatsburgerschap in de nieuwe grondwet staat. Mede op grond van die grondwet is Roemenië immers net toegelaten tot de Raad van Europa. De grondwet zegt echter zelf dat internationale afspraken voorrang hebben boven het Roemeense recht.

Het is begrijpelijk dat de Roemenen moeite hebben met de stortvloed van internationale verdragsbepalingen, jurisprudentie, resoluties en verklaringen die op hen afkomt in de kwestie van een minderhedenwet, zeker als zij hun best doen - bijvoorbeeld door iedere minderheid een zetel in het parlement toe te kennen, zelfs wanneer deze de kiesdrempel niet eens haalt. De boodschap van de waarschuwing is dan ook een andere, namelijk dat Roemenië er beter aan doet de eer aan zichzelf te houden door kritische vragen over zijn nieuwe recht op te lossen in de eigen sfeer en het niet laat aankomen op vervelende procedures voor internationale instanties. Dit besef is zelfs voor een gevestigde rechtsstaat als Nederland niet altijd eenvoudig gebleken.