Moeder is voor zoon een dolle kip, ijdele ibis en spook

Voorstelling: Oefening op de moeder en de zoon, door Theatergroep Carrousel. Regie: Marlies Heuer. Spelers: Arlette Weygers en Wouter Steenbergen. Gezien 3/9 bij Carrousel, Kloveniersburgwal 131, Amsterdam. Aldaar t/m 17/9. Tournee 1/10 tot 5/11.

Zogenaamd zelfverzekerd komt hij op, in zijn wee-oranje overhemd, zwaar-oranje pantalon en achter de al even oranje stropdas gedecoreerd met borduursel en dasspeld - een kostuum dat je zelf nooit zou kiezen, een pak dat je moeder voor je koopt. Aan die moeder brengt hij, als een schooljongen voor de klas, een ode in poëzie. Het heiligst wat een mens op de wereld overkomt is zij, unieker band dan met haar bestaat er niet. Meent hij het? De man frut aan zijn broeksnaad, zijn stem klinkt onvast. Overmand door gevoel wordt hij, maar door welk?

Oefening op de moeder en de zoon, een stuk van de Vlaming Eric de Volder, gaat op die gevoelens in zonder hoop op een eenduidig antwoord en Marlies Heuer, die het stuk regisseerde, zocht er niet naar. “Hoe is 't?” vraagt de zoon aan de moeder. “Goe-oe-oed-oed” teemt ze, om er onverwacht bits aan toe te voegen “...als 't maar iets is.” Het is altijd iets en nooit niets tussen een moeder en een kind, hoe verschillend ze ook worden, hoe wreed, hoe beu, hoe alleen, hoe oud.

De zoon die Marlies Heuer regisseerde als iemand die zich nog altijd laat reduceren tot een figurant in het leven van zijn moeder, wordt gespeeld door Wouter Steenbergen. Steenbergen is geen prater. Zijn stem is niet zijn sterkste punt en met zinnen als “Waarom hebt ge me eigenlijk gekocht moeder, per strekkende meter?” weet hij geen raad. Dan gaan de losgezongen moederwereld-woorden rond het woord 'klutsmelk', die leiden tot een lange litanie op aftelrijmpjesdreun, hem beter af. De opgetrokken schouders steunen de klanken, de tanige rug spreekt mee, en het lange smalle hoofd dist een verbeten uitdrukking op. Het best spreekt dat gezicht woordloos. Het reageert, het keert in zichzelf, het huivert even, het is verontwaardig of gechoqueerd, het deinst terug. Opvallen doet het zelden. Want Oefening op de moeder en de zoon is meestentijds een monoloog. Van Moeder.

Moeder dreigt, straft, koketteert, zeurt en is jaloers. Moeder krijgt gestalte van Arlette Weygers wie niets te veel is. Moeder jaagt nu eens angst aan met een spits smoel als een dolle ouwe kip en torent dan weer in avondkleding hoog boven Zoon uit als een ijdele ibis. Zoon reageert zo min mogelijk en gaat door met iets onbestemd verzorgends. Hij moet voor haar zorgen, want Moeder is gek, denken we. Ze haalt heden en verleden dooreen, verloor haar decorum en weet niet meer wat ze zegt.

Of Moeder gek is, blijkt niet meer aan de orde te zijn. Moeder is een spook. En al bestaat dat spook slechts in de hersens van de zoon, het laat zich moeilijk verdrijven uit de vertrekken waar hij de meubels afdekt en de spullen ordent, nu zijn moeder er niet meer is. Is ze er niet meer? Zo gemakkelijk laat ze zich niet opruimen. Bij elk laken dat de zoon wil draperen zit ze in de weg en oreert, in de frasen die hij zijn leven lang van haar hoorde. Wanneer hij een gebaar maakt om haar, de afdekdoek nu ineengedraaid, te wurgen merkt ze dat niet eens. Hij telt niet als man, niet als mens, niet als echtgenoot. In dit huis is hij haar zoon. En dat is dat.

De zoon is gekomen om de inventarislijst te checken, maar eer hij zover is, maken zijn emoties hun eigen inventaris op. Het een na het ander dient zich aan, herinneringen, angsten, pijnlijke zieleplekken, zonder onderling verband, zonder orde, willekeurig als de opgesomde inboedel van een huis. Moeder gaat niet weg en tenslotte danst hij haar definitief dood in een woeste wals, met een vuile blik in zijn ogen en voor het eerst zonder medelijden. Ze geniet, hijgt en zijgt neer. De fenomenale japon, die haar al zoveel gestalten bood, wordt een zonnig onbewoond eilandje waar Zoon en zij even een onvoorwaardelijk liefdespaar kunnen zijn en verandert dan in de laatste doek die de zoon nodig had: om ook zijn moeder af te dekken.