Het onmogelijke is dus toch mogelijk

David Kotkin groeide op als een onopvallende jongen in een onopvallende omgeving. In september 1956 kwam hij ter wereld in Metuchen, een weinig tot de verbeelding sprekend oord in de Amerikaanse staat New Jersey. Zijn ouders Hy en Rebecca, immigranten uit Rusland, trachtten hier een nieuw bestaan op te bouwen. Zij zetten daartoe een bedrijfje op dat zich richtte op het stofferen van meubels. Hun zoon David, het enig kind van het echtpaar, was een schuchter en eenzaam kereltje; als schooljongen was zijn onzekerheid zo groot, dat hij weinig met andere kinderen omging. De enige bij wie hij zich op zijn gemak voelde was zijn grootvader.

Sindsdien is er veel veranderd. Bijna 38 jaar na zijn geboorte en 20 jaar nadat hij van Dickens de naam Copperfield leende, heeft David de status van een superster. Tot in het Verre Oosten staat hij te boek als de grootste illusionist aller tijden: een 'entertainer' die zich niet voor niets de Merlijn van de high-tech magic mag noemen. Ten overstaan van duizenden mensen, zoals nu in de Rotterdamse Ahoy', presenteert hij zich keer op keer als de man die alles kan en om die reden (maar daarom niet alleen) begeerte wekt. Regelmatig verkeert hij op het podium met assistentes die, als voorspel tot wat volgt, zwoel om hem heen kronkelen. Dat neemt niet weg dat zij zich veel moeten laten welgevallen. Al tijdens de eerste minuten van de voorstelling wordt een van hen onthalsd, waarna haar nog steeds lachende hoofd in een doos op tafel belandt. Maar even later krijgt Davids betere ik, als steeds, de overhand: enkele snelle handelingen zijn genoeg om van het meisje weer één welgevormd geheel te maken.

De magiër beperkt zich niet tot vrouwen uit zijn eigen omgeving. Regelmatig voert hij bezoeksters van de duurdere rangen naar het podium, waar zij even met hem in de gloed van de schijnwerpers kunnen staan. Een blondine kreeg dit weekeinde opdracht iets uit de achterzak van zijn jeans te halen, een ander mocht de schaar pakken die hij achter zijn broekriem had gestoken ('je naam is toch niet toevallig Bobbitt?' vroeg hij terloops) en een derde stond hem bij in een spel met eieren van een joodse kip.

Maar dergelijke nummers zijn slechts entr'actes in een show die erop uit is het publiek te overdonderen. Wat dit betreft wordt geen kans onbenut gelaten. Een vrouw stijgt omhoog en lost op in de lucht, Copperfield verdwijnt met een meisje in een ventilator om vervolgens achterin de zaal neer te komen, vrijwilligers uit het publiek laten een tafel dansen - en zo gaat het maar door. Het hoogtepunt is een zweefvlucht van de vedette, die als een vogel zonder vleugels moeiteloos de zwaartekracht ontstijgt. Vooral gezien het tijdstip van executie, even na etenstijd op zaterdagavond, leidde dit hoogstandje tijdens de try-out tot een moment van ontroering.

Toch is het niet ondenkbaar dat het publiek op een gegeven moment alle wonderen voor gezien houdt. De kans daarop is groter dan men denkt: ook een onervaren kijker raakt er snel aan gewend dat het onmogelijke dus toch mogelijk is. Als tegenwicht onthaalt Copperfield zijn achterban daarom op een combinatie van grappen en sentiment. Zeker dat laatste is soms effectief. Zo is er een door filmmuziek begeleide terugblik op de tijd dat zijn grootvader hem leerde goochelen met speelkaarten. Ook de finale heeft het karakter van een flash-back, ditmaal geënsceneerd in Steven Spielberg-stijl. Begeleid door de song Forever Young staat hij, temidden van neerdwarrelende sneeuwvlokken, oog in oog met het stille knaapje dat hij ooit was. Maar de kleine David Kotkin verdwijnt weer tussen de coulissen, de bejubelde wereldster achterlatend in de sneeuw. Terwijl het applaus voor de laatste maal aanzwelt en het witte schuim neerdaalt op het publiek, valt het doek: een betere afrekening met een jeugdtrauma is moeilijk denkbaar.

Van het begin af aan heeft hij hard gewerkt om dit doel te bereiken. Als 16-jarige gaf David Copperfield een gastcollege over goochelkunst aan de universiteit van New York, twee jaar later werd hem de hoofdrol aangeboden in een musical en in 1977 was hij de voornaamste attractie van een tv-show. In de serie CBS-specials die daarop volgde, zorgde Copperfield elk jaar voor een stunt die nog indrukwekkender was dan de vorige. Nadat hij achtereenvolgens de popgroep Earth, Wind and Fire en een straalvliegtuig had doen verdwijnen, zag hij na consultatie van het Witte Huis kans New York enige ogenblikken te beroven van zijn Vrijheidsbeeld.

Na deze act, die hem 500.000 dollar en vele maanden voorbereiding kostte, raakte de illusionist gevangen in een spiraal die hem naar steeds grotere, steeds kostbaarder uitdagingen voerde. Kortheidshalve hier slechts enkele voorbeelden: hij ontsnapte zowel uit Alcatraz als uit een kluis in een instortende wolkenkrabber, trotseerde de Bermuda Driehoek, stak op een brandend vlot geboeid de Niagara waterval over en kreeg internationale faam nadat hij (aldus waarnemers) 'lichtvoetig' door de Chinese Muur heen wandelde. Het is dan ook geen wonder dat hij zich naar eigen zeggen lange tijd alleen met zijn werk bezighield. Copperfield las geen krant, zag geen televisie en wist niet wie de president van Amerika was. Inmiddels vaart hij, ouder en wijzer geworden, een andere koers. Overdag komt het nu weleens tot een bezoek aan een museum, zo vertelde hij het Algemeen Dagblad. En verder praat het idool, naar hij de krant toevertrouwde, de laatste tijd veel met God.

Sinds het begin van deze nieuwe levensfase worden zijn shows ingeluid met een motto van de Franse dichter Apollinaire (1880-1918). Toch gelden Fred Astaire en Gene Kelly nog altijd als zijn voorbeelden, al vindt hij het spijtig te worden ingedeeld onder de noemer amusement. Zeker is dat Copperfield zichzelf ernstig genoeg neemt om zijn image streng te bewaken. Fotografen weten daar alles van: een enorme bodyguard ziet erop toe dat zij niet zijn rechterwang vastleggen. De reden daarvoor is een van zijn vele goed bewaarde geheimen.