Groot genoeg

Ik ben een meter twee- of drieëntachtig. Waarschijnlijk tweeëntachtig, want ik heb de krimpleeftijd al bereikt, ja, misschien ben ik al wel twee of drie centimeter kwijtgeraakt. Ik weet nog dat ik elf jaar was, over het ijs liep en me voor het eerst moest bukken toen ik een bruggetje onderdoorging, waar ik een jaar daarvoor, zonder mijn hoofd te stoten, gemakkelijk langskwam. En nog kleiner weet ik ook nog. Staan onder de keukentafel. Niet over het balkon kunnen kijken en nog veel kleiner met moeder in het Stadspark. O, dat weet ik nog het best. Verdriet en geluk zijn mijlpalen. Moeder met een witte strohoed op. Onder een kastanjeboom zaten we. In het gras. De geur van de kleine kastanjes die om ons heen lagen. De zoete kleverigheid van ijs. De geur van gras. Achter ons het geschreeuw van een pauw in de volière waar we al geweest waren. Eerst naar de volière, eerst naar de pauw. “Pauw, pauw, 'k ben mooier dan jou. Pauw, pauw, 'k ben mooier dan jou.” En dan zette hij zijn veren op. En moeder die gelukkig is en lacht. Toen was ik het kleinst. Nooit ben ik zo gelukkig klein geweest.

Ik ging bij de welpen. Moeder had een mooi welpenpetje voor me op de kop getikt. Met een rode wolf erop. Verder had ik nog niks. Ook niet zo'n groene zakdoek voor om je hals, met een leren gevlochten ring, wat zo stoer stond. En natuurlijk helemaal geen padvindersbroek met die wijde pijpen. Of groene kniekousen en bijpassende schoenen. Ik had maar één broek en maar twee schoenen. Afgelopen. Maar mijn petje had ik wel. Ik zette het een beetje extra naar voren. Iétsje boven de ogen. Je kon nog net kijken. Daar was alles mee gezegd. Dat stond pas echt stoer. Sommige jongens hadden geen benul. Die zetten het zelfs scheef op. Zoals de pet van de man van de kattebakcentrale. Met die zwarte vingers en die zwarte naden en groeven in zijn gezicht. “Die krijgt hij met een pond groene zeep nog niet schoon”, zei moeder. Wat kon die kerel stinken. “Hij laat er zelfs nog scheten bij ook”, zei buurvrouw. Dat was allemaal vroeger toen ik nog klein was.

Ergens op een zolder was een Canadese berenhut gebouwd. Er was een kampvuur van rode mica, het stonk er een beetje naar dode muizen en het was er altijd koud. Er waren twee akela's. Om de beurt. We moesten steeds zweren dat we ons best zouden doen. En mochten niet op stoelen zitten, alleen op de grond. De ene akela vond ik vreselijk. Ik kon me niet voorstellen dat ze een vrouw was. Ze had trouwens een korte broek aan en zelfs haren op haar knieën, en maar snauwen en grauwen, waar ik mijn levenlang zo bang voor ben gebleven. De andere Akela was precies omgekeerd. Die was pas echt lief. Een sappige mond met rode lippen die altijd nat waren. Lekker dik. Met grote vriendelijke borsten die in haar kaki-overhemd bij elke stap royaal en goedmoedig op en neer deinden.

Op die middag dat het zulk rotweer was, moesten we naar buiten op beverjacht. Sluipen door het natte struikgewas tot we bij een flinke tochtsloot stonden. We hadden uitgerekend de akela aan wie ik zo'n hekel had. Iedereen sprong zo goed en zo kwaad als het ging over de sloot, maar ik durfde niet. Ik durf dat soort dingen nu eenmaal niet. Ik moest en zou springen.

“Je bent groot en niet bang. Je springt naar de overkant. Vlug wat. Hop, hop. Wil je altijd klein blijven? Schiet op.”

Ik durfde niet. Iedereen lachen. Ik durfde niet. De akela met die knieën vol haar pakt mijn petje en smijt het naar de overkant. Moeders petje. Ze gooide niet goed. Het lag half in het gras en half in de sloot. Weer lachen. “Haal je petje op.”

Ik holde weg. Naar huis. Naar moeder. De regen striemde in mijn gezicht. Niemand kon mijn tranen zien toen ik al in de stad was. Boven was alles stil. Moeder zat alleen in de kamer. Wat een verdriet om mijn petje. “Voor mij ben je groot genoeg”, zei moeder. “Juist heel groot, je krijgt van mij een gewoon petje . Hoef je ook niet meer naar die akela. Blijf jij lekker bij moeder.”

(Voorlopig is dit mijn laatste bijdrage aan deze pagina. Ik dank een ieder voor het aandachtige lezen en hen die zo lief waren mij in het verleden van hun adhesie blijk te geven.)