Gouden Leeuwen voor gehele oeuvre uitgereikt op Filmfestival van Venetië

VENETIE, 5 SEPT. Zonder enige ophef zijn de eerste Gouden Leeuwen van de 51ste editie van het Filmfestival van Venetië vergeven. De jury, onder voorzitterschap van regisseur David Lynch (Blue Velvet, Twin Peaks), heeft de oeuvreprijzen toegekend aan acteur Al Pacino, scenarioschrijver Suso Cecchi d'Amico (Fietsendieven van De Sica en alle films van Visconti) en aan regisseur Kenneth Loach (Cathy come home, Family Life). De controverse die heel even dreigde te ontstaan over de samenstelling van de jury kreeg meer aandacht. Umberto Curi, lid van het organisatiecomité, vond de Peruaanse schrijver en oud-presidentskandidaat Mario Vargas Llosa 'te rechts' om jury-lid te zijn. In plaats van Curi te links te noemen heeft de schrijver zijn schouders opgehaald - en dat was dat.

Ander gemor klinkt hier en daar al luider op over de samenstelling van het hoofdprogramma. Wat er op papier gevarieerd uitziet kan inderdaad ook wisselvallig genoemd worden. Directeur Gillo Pontecorvo heeft gestreefd naar een evenwicht tussen glamour en avontuur, tussen bekende reuzen en onontdekt talent, maar dat streven lijkt zijn tol te eisen. In vier dagen zijn negen van de negentien films die naar de Gouden Leeuw dingen vertoond en er zitten regelrechte missers tussen. De Hongaars/ Canadese produktie Magic Hunter/ Büvos vadász, een 'filosofische thriller' vol zweverig en verward surrealisme, van regisseuse Ildiko Enyedi is er één van, Before the rain, de eerste speelfilm van de Macedonische regisseur Milcho Manchevski is een tweede voorbeeld. Het is een bij vlagen akelig politiek correct en overigens gammel werkstuk, waarvan de drie losse delen alle iets met de oorlog in het voormalige Joegoslavië te maken hebben.

Het oude Europa en zijn nieuwe problemen houden meer regisseurs van dit continent bezig. Zelfs in zijn in alle opzichten brave schelmenverhaal Il toro toont Carlo Mazzacurati nog enige vleugjes betrokkenheid bij de oorlogsellende in het voormalige Joegoslavië waar hij twee werkloze Italianen een ontvoerde fokstier laat verkopen. Van de tweede van de drie Italiaanse films in het hoofdprogramma, Lamerica van Gianni Amelio (Porte aperte, Il ladro di bambini), is de politieke aardverschuiving in Europa het uitgangspunt. Amelio maakte een voor zijn landgenoten pijnlijk meeslepend epos over het Amerika dat Italië in de ogen van de Albanese buurman is. Hij laat een Italiaan - die, schermend met zijn nationaliteit en smeergelden zijn slag denkt te kunnen slaan in het straatarme land - de ellende van de Albanezen aan den lijve ondervinden. Amelio is een verteller, met oog voor de nuance van de werkelijkheid maar met genoeg vormbewustzijn om die begrijpelijk en spannend te maken.

Van vergelijkbare kwaliteit is The life and Extraordinary Adventures of Private Ivan Chonkin van de Tsjech Jiri Menzel (Closely watches trains, Houdt de treinen in het oog). De film, gebaseerd op de gelijknamige roman van Vladimir Voinovich, gaat ook over Europa, maar dan over de oude problemen, in de voormalige Sovjet-Unie. Menzel kan er om lachen, hij heeft althans een prachtige satire gemaakt waarin kolchozen, bureaucraten, bange ondergeschikten, geheime politie en het Rode Leger en vadertje Stalin zelf haarscherp op de korrel worden genomen. Het wemelt in zijn film van de blozende toeten en rode drankneuzen en hij schetst een schitterend, Jan Steen-achtig beeld van het Russische platteland anno 1940.

De mooiste van de tot nu toe vertoonde films is van Aziatische herkomst. Opmerkelijk is dat Aiqing wansui/Vive l'amour pas de tweede lange speelfilm (na Rebels of the neon God) is van de in 1957 in Maleisië geboren en in Taiwan wonende regisseur Tsai Ming-liang. Met de simpelste middelen en zonder de aandacht trekkende technologische hoogstandjes van films als Forrest Gump en Natural born killers, herijkt hij op zijn eentje het vocabulaire van de cinema. Zijn film doet je realiseren hoe bijzonder het vanzelfsprekende kan zijn, namelijk dat een filmer zijn verhaal in beelden vertelt en niet louter dialogen illustreert. Tsai Ming-liang doet dat bovendien ijzig kalm.

Pas na twintig minuten worden de eerste woorden gesproken, van banale strekking. Dat blijft zo, de uiterst spaarzame dialoog die misschien drie A-viertjes beslaat, overstijgt geen moment het niveau van de zakelijke, dikwijls door de telefoon gemaakte afspraak elkaar daar en dan te treffen. Alles is leegte in Vive l'amour: de beelden, de lokaties, de muziekloze geluidsband, het verhaal, de bezetting met geen andere dan drie hoofdrollen en de levens van de personages. Alleen hun harten zijn gevuld met verlangen, dat blijkt des te sterker.

Tsai Ming-liang begint zijn film met brede, omtrekkende bewegingen. Hij toont een vrouw en twee mannen onafhankelijk van elkaar. Langzaam brengt hij ze bijeen, in een leeg appartement dat de vrouw, die makelaar is, probeert te verkopen. Het wordt een ontmoetingsplaats voor woordloze, anonieme sex met een van de twee mannen. Op hem raakt de andere man, die we in het begin een zelfmoordpoging hebben zien ondernemen en wiens aanwezigheid nooit door de vrouw wordt opgemerkt, verliefd. Aan het slot gaat hij naast het slapende object van zijn liefde op bed liggen. Daarna zien we de vrouw buiten op een bankje hartverscheurend huilen.

Tsai Ming-liang toont de dagelijkse bezigheden van zijn personages heel precies en versterkt het geluid waarmee die gepaard gaan. De slotbeelden zijn magistraal en illustreren zijn gewaagde maar trefzekere regie. Niet alleen huilt de in close-up gevangen vrouw langdurig, steekt ze een sigaret op en begint dan weer opnieuw te huilen, daarvoor volgt de camera haar minutenlang van opzij als ze, met luid opklinkende voetstappen, langs een leeg bouwterrein naar het bankje toeloopt. Banaler kan het haast niet, maar het resultaat is dat Vive l'amour eenzaamheid visualiseert als een ding dat je kunt aanraken.