EEN STRAATZANGER OVER Blowin' In The Wind

Jazeker, Dylans Blowin' In The Wind, het hooglied der straatmuzikanten, heeft hij wel gespeeld. Hij weet het nog precies. “Het was in Rome, op verzoek van een Italiaan”, vertelt de 37-jarige Amsterdamse straatmuzikant met paardestaart en gitaar. “Maar verder heb ik Blowin' In The Wind nooit gespeeld. Ik houd niet van Bob Dylan, het is zeikmuziek. Zijn nummers zijn wel goed uitgevoerd door andere groepen, maar zelf zingt hij vals. Nee, ik speel liever nummers vanm Donovan, en van Crosby, Stills & Nash, de Rolling Stones en Beatles. Bijna alles van Abbey Road heb ik op mijn repertoire.”

Zijn naam wil hij niet in de krant en zijn foto ook niet. Hij leeft namelijk van een uitkering. “Ik kan niet op kantoor zitten, ik ben een buitenmens. In 1991 heb ik nog wel een half jaar telemarketing gedaan, maar dat was niks.”

Het hebben van een uitkering staat zijn muzikale activiteiten niet in de weg, integendeel. Hij leidt regelmatig een muziekworkshop voor kinderen in een buurtcentrum, binnenkort gaat hij avonden 'Keith-Jarret-achtige pianomuziek' in een geestelijk-cultureel centrum spelen en hij is ook lid van een funk- en jazzgroep. Maar die heeft niet zoveel succes.

Straatmuzikant is hij om verschillende redenen. “De eerste is heel simpel. Van een uitkering kan ik mijn auto niet betalen. Maar ik doe het natuurlijk ook voor mijn plezier. Het is ook een manier om mijn eigen nummers, die ik voor de groep schrijf, uit te proberen. Hierbij leg ik geen commerciële maatstaven aan: het is niet zo dat hoe meer geld ik op een terras op haal, hoe beter ik de gespeelde nummers vind. Want je krijgt vaak het meeste geld van kerels die met een vrouw op een terras zitten en indruk willen maken. Belangrijker is dat iemand vraagt: 'Goh, heb je dat nummer zelf geschreven' of het nog een keer wil horen. Als de nummers helemaal niet werken, pas ik ze aan. Dan maak ik ze wat minder ingewikkeld, pep ik het tempo wat op of ga over van mineur op majeur. Vrolijke nummers werken nu eenmaal beter dan langzame, droevige.”

Het liefst speelt de straatmuzikant zijn eigen nummers. “Maar het publiek hoort toch het liefst bekende liedjes. Ik schat dat ik voor de helft covers speel, maar als ik bij een terras kom en ik zie alleen maar oudere mensen zitten, dan besluit ik vaak om alleen maar covers te spelen.”

Hij speelt alleen 's zomers, maar dan moet het niet regenen. Dertien jaar is hij nu al straatmuzikant. “In 1981 ging ik na het behalen van mij kandidaats biologie van de ene op de andere dag weg. Mijn relatie was op de klippen gelopen en ik trok naar Parijs. De metro was mijn leerschool als straatmuzikant. Een harde leerschool, mag ik wel zeggen. De mensen daar zijn veel harder en onverschilliger dan hier in Amsterdam, maar ik was toen ook veel slechter. Drie liedjes kende ik en spelen kon ik eigenlijk niet. Pas na twee jaar voelde ik me zeker en wist ik dat je bijvoorbeeld niet met gebogen hoofd moest spelen.”

Spelen op straat is heel anders dan optreden in een zaal. “In een zaal lopen de mensen weg als ze het niet bevalt, op een terras willen ze jóu weg hebben. Hier in Amsterdam krijg ik zelden ruzie. Heel af en toe krijg ik horen: 'Rot op, eikel, wat moet je van me?'. Meestal zijn het mensen die hun slechte gevoelens op jou projecteren. Maar toch, als je net een song hebt gedaan over een verbroken relatie, dan komt dat wel aan, ja.”