Bewind Algerije besluit tot vrijlating FIS-leiders

Abassi Madani en Ali Belhadj, de belangrijkste leiders van de Algerijnse radicaal-islamitische organisatie FIS (Front van Islamitische Redding) die sinds drie jaar gevangen zitten, worden of zijn al vrijgelaten. Dat heeft, volgens betrouwbare bronnen in Algiers, president Liamine Zéroual beslist. De bekendmaking van hun vrijlating wordt - als zich geen laatste onverwachte obstakels voordoen - vandaag, uiterlijk morgen verwacht. Dat zou dan het eerste 'resultaat' zijn van de politieke dialoog tussen de overheid en een paar toegestane oppositiepartijen, die vandaag opnieuw is hervat.

De afgelopen dagen hebben, volgens Algerijnse en Saoedische kranten, de overheid en het FIS in een reeks van geheime ontmoetingen hun onderhandelingen opgevoerd. Het officiële doel van deze onderhandelingen is de politieke dialoog tussen regering en de toegestane oppositiepartijen een kans te geven, en zo een eind te maken aan de steeds bloediger oorlog tussen de radicaal-islamitische strijdgroepen en het leger, die geen van de partijen kan winnen maar Algerije steeds verder verlamt.

Volgens betrouwbare bronnen in Algiers echter hebben president Liamine Zéroual en FIS-leider Abassi Madani reeds overeenstemming bereikt buiten de vandaag hervatte dialoog om. Madani, Belhadj en hun drie metgezellen in de militaire gevangenis van Blida zouden zelfs al zaterdag op vrije voeten zijn gesteld, nadat Madani schriftelijk had toegezegd dat het FIS en zijn militaire arm, het AIS, een 'wapenstilstand' in acht zouden nemen. De overheid op haar beurt moest in ruil daarvoor een aantal voorwaarden vervullen, waaronder vrijlating van alle FIS-leiders en politieke gevangenen, de mogelijkheid voor de FIS-leiders om met elkaar en met hun strijders vrij van gedachten te wisselen, alsmede het opnieuw legaliseren van het FIS als politieke partij. Dan zou het FIS kunnen deelnemen aan de dialoog, die in alle openheid gevoerd zou moeten worden, zodat “het volk” er kennis van kan nemen. Van zijn kant verplichtte Madani zich de Algerijnse grondwet en de republikeinse instellingen te zullen respecteren, alsmede de alternance, een wisseling van de macht door democratische middelen.

Al enige tijd was duidelijk dat de leiders van het FIS hun eisen naar beneden schroefden. Zo lieten zij de voorwaarde vallen dat allen “die verantwoordelijk zijn voor de vervolging van de moslims in Algerije” eerst gestraft moesten worden. Want de FIS-leiders begonnen zich te realiseren dat als zij zich tot geweld beperken, hun oorlog tegen de overheid niet snel gewonnen kan worden. Intussen wordt de samenleving door datzelfde geweld in snel tempo geradicaliseerd, waardoor de volgelingen en sympathisanten van het FIS in steeds groter getale naar de nòg radicalere concurrent, de GIA (de Gewapende Islamitische Groep), overlopen. Langer wachten zou het risico met zich meebrengen dat de FIS-leiders niet langer leiders zouden zijn.

Zij zijn zich er ook van bewust dat de gruwelijkheden, die in naam van Allah en de islam door sommige islamitische strijdgroepen worden bedreven, een deel van de bevolking weer richting overheid drijven. Vandaar, dat zij - zonder ècht deze misdaden te veroordelen - er toch afstand van beginnen te nemen. Zelfs imam Ali Belhadj, de nummer twee van het FIS en veel radicaler dan Abassi Madani, maakte onlangs onderscheid tussen 'legitiem geweld' en 'blind terrorisme'.

Al die overwegingen, gevoegd bij de overtuiging dat het FIS bij een politieke oplossing alleen maar kan winnen, hebben zijn leiders ertoe gebracht een andere toon aan te slaan. Zij proberen hun aanhang die buitengewoon weinig vertrouwen heeft in een politieke aanpak, ervan te overtuigen dat zelfs het FLN, het Nationale Bevrijdingsfront dat alle groepen combineerde in zijn strijd tegen de Franse overheersing, op een dag genoodzaakt was met de Fransen te onderhandelen, waarna inderdaad de onafhankelijkheid tot stand kwam.

Ook het leger, de werkelijke macht in Algerije, heeft alle reden om met het FIS tot een akkoord te komen. De strijdkrachten konden geen einde maken aan de guerrilla van de islamitische strijdgroepen. De talloze moorden op klaarlichte dag en de vernietiging van de sociale en economische infrastructuur van Algerije tonen juist aan dat de overheid niet in staat is wie of wat dan ook te beschermen, als het geweld niet vermindert. De meer dan 400 scholen, die de afgelopen maanden door de islamitische strijdgroepen in brand zijn gestoken, en het onvermogen van de regering om de nog overgebleven scholen hetzelfde lot te besparen, spreken duidelijke taal. Het geweld jaagt zowel de buitenlandse ondernemingen als de Algerijnse technocraten en intellectuelen op de vlucht, zodat van een herstructurering van de Algerijnse samenleving, die nu al jaren lang beloofd wordt, geen sprake kan zijn.

Onder die omstandigheden bestaat er de mogelijkheid dat president Zéroual tot een modus vivendi komt met het FIS - naar het voorbeeld van Soedan, waar de militaire machthebbers een bondje hebben gesloten met de radicale moslim-groepering van Hassan Tourabi. Daarbij krijgt iedereen het zijne: de generaals de macht en de volgelingen van Tourabi de mogelijkheid om de samenleving in geforceerd tempo hun wil en wet op te leggen.

De vraag is alleen of dit scenario zal werken in het veel radicalere Algerije, waar zich geen charismatische leiders meer bevinden en honderden legerkolonels en islamitische 'emirs' hun eigen macht nastreven.