Beste Pierre,

Ooit was het verdoezelen voor het publiek van lijden, wreedheid en geweld een teken van beschaving. De komst van de film leek een eind te maken aan die terughoudendheid, maar het schieten in gangsterfilms en de bloedvlekken in zwartwit spraken alleen sterk tot de verbeelding, puur fysiek deden ze niets: het was show, het was een droom. Je verliet de bioscoop in een staat van onschuldige hypnose en had het er vervolgens in het café over dat het in Chicago misschien zo was. Of in New York. Verre junglesteden waarvan meer dan een oceaan ons hier scheidde.

Daarna kwamen de films in technicolor. Je zag de verf of ketchup door het bloed heen en de klappen, explosies, messteken en martelscènes met acteurs die wild met de ogen draaiden en vervaarlijk grijnsden, vond ik kinderachtig.

Zo creëerde ik innerlijk de illusie dat de mensheid alle wreedheid, beestachtigheden en geweld, door ze zo opzichtig irreëel voor te stellen, in feite juist probeerde te bezweren. En dat ze er, wie weet, zo ooit nog eens voorgoed mee af zou rekenen. Dat was natuurlijk een utopie, een kinderdroom die ik zo lang mogelijk heb proberen te rekken, maar waaruit de televisie van de laatste jaren mij ruw wakker heeft geschud: de moorden, aanslagen, rampen, alles is echt, overal moet ik alomtegenwoordig toeschouwer van zijn, soms zelfs live; en het zal niet gemakkelijk zijn iets obsceners te bedenken dan onder het eten naar de verschrikkingen van hongersnood kijken. Het bezweren waar ik van uit was gegaan, was slechts wishful thinking geweest.

Denk nu echter niet dat ik een gedesillusioneerde zedenpreker ben geworden. Of dat ik niet zou weten dat verloren idealen en gekwetste gevoelens weinig invloed hebben op de wetten die de wereld besturen. Nee, ik zou alleen graag, ondanks alle in al die jaren opgedane ervaring, net als iedereen iets van mijn dromen willen bewaren. Maar ze verdwijnen en wat er voor in de plaats komt, zijn de grote angsten, de verschrikking dat misschien alleen de dood een uitweg biedt. Of de waanzin. In dat laatste geval wel bij voorkeur een zachte waanzin, zoals die waarin een oude vriend van mij zijn heil heeft gezocht.

Statig figuur, dokter Castro. Toen ik klein was, kwam hij altijd in het dorp op zijn ronde langs de patiënten, lang, mager, helemaal in het zwart op zijn zwarte paard, een machtige hengst die je de stuipen op het lijf joeg met zijn gehinnik. Na het aanleggen van de weg ruilde hij zijn paard in voor een eveneens zwarte Austin, waardoor hij minder imposant, maar wel pittoresker werd. Altijd keurig gekleed, altijd in het zwart, vielen bij het 'afstappen' - zo bleef hij zeggen - als eerste zijn hoge laarzen en rijbroek op.

Hij heeft zo'n diepe indruk op me gemaakt, dat ik het een paar keer niet heb kunnen laten om hem als romanfiguur op te voeren. Somber was hij, zeiden ze, verbitterd door een verzuurd huwelijk en de bekrompenheid van het leven dat hij leidde. Daarna ging hij met pensioen en ben ik hem nooit meer tegengekomen. Maar een tijd terug was ik toevallig in zijn dorp en zag ik hem op het balkon staan, nog steeds in het zwart, zeer recht voor de zesennegentig jaren die hij telde. Naast hem stond zijn broer, twee jaar jonger. En ik wilde er net heen lopen toen iemand me tegenhield: “Doet u dat niet. Ze piesen u zo onder. Kennelijk hebben ze dat gedaan toen ze klein waren, en nu zijn ze opnieuw jongetjes geworden.”

Ik bedankte, zwaaide uit de verte, een groet die de broers niet beantwoordden, en ging weg, bedenkend dat ik het een zegen zou vinden om zo te eindigen: als een ondeugend kind dat voorbijgangers onderplast.

Hartelijke groeten,