Waterkeer

L.A.M. Giebels (red.): Zeven eeuwen Rijnlandse uitwatering in Spaarndam en Halfweg. Van beveiliging naar beheersing

190 blz., Hoogheemraadschap van Rijnland/Verloren 1994, ƒ 40,-

Waterschappen waren tot enkele jaren geleden voor de meesten onder ons onbekende en vooral ondoorzichtige organisaties die zich bezighielden met de afwatering. De lossing van overtollig water is zo'n onderwerp waarover niet wordt gesproken zolang er geen probleem bestaat en tijdens de laatste eeuw waren er betrekkelijk weinig spraakmakende moeilijkheden. Voordat een grootschalige toepassing van stoommachines in de waterstaat haar beslag had gekregen, werd het water uitgeslagen met behulp van molens en nog langer geleden was 'natuurlijke afwatering' de enige manier om het hoofd boven water te houden.

Het verhaaltje dat de Hollanders hun eigen land hebben gecreëerd is een vèrgaande simplificatie van de werkelijkheid. Net als overal ter wereld trokken in Holland eeuwen geleden mensen de wildernis in en net als elders ontwikkelde zich een op plaatselijke omstandigheden toegesneden ontginningssysteem. Parallel hiermee voltrok zich echter een verzanding van de mond der Oude Rijn bij Katwijk, waardoor groeiend waterbezwaar optrad.

In grote delen van Holland betekende dit dat de grondwaterspiegel in de veenbodem moest worden verlaagd en dat binnenwateren werden afgesloten om zee-invloed te weren. Het systeem werkte zo goed dat de bodem niet alleen droog genoeg werd om er akkerbouw op uit te oefenen, maar ook om het veen te laten inzakken, tot ontbinding te doen overgaan en als water en koolzuurgas te laten verdwijnen. Naast afgraving en wegbaggeren der veenlaag vormden deze beide processen van inklinken en vervliegen de voornaamste oorzaken van landverlies en afwateringsproblemen in Holland, want hiermee kwam het oorspronkelijk ruim boven zeeniveau gelegen landoppervlak gelijk met of zelfs onder Amsterdams Peil te liggen. En daarmee had Holland een probleem.

In het gebied dat globaal wordt begrensd door een denkbeeldige lijn van Haarlem over Amsterdam en Gouda naar Den Haag en van daar langs de kust terug naar Haarlem, werden reeds in de Late Middeleeuwen de handen ineengeslagen om het land te vrijwaren van wateroverlast. Dat lukte aanvankelijk lang niet altijd en met enige regelmaat traden dijkbreuken en overstromingen op, maar op den duur kreeg het in de 13de eeuw ontstane hoogheemraadschap van Rijnland zo veel vat op het dijkonderhoud dat het buitenwater blijvend werd gekeerd.

Gevaar dreigde vooral uit het noorden, waar het voormalige IJ aan sterke getijdeninvloed blootstond, maar waar ook gebruik werd gemaakt van lage ebstanden om het overtollig water op natuurlijke wijze te doen afvloeien. Zowel te Spaarndam als bij Halfweg werd al vroeg een reeks spuisluizen gebouwd in de zuidelijke IJdijk of Spaarndammerdijk, die vanzelf open gingen bij laag water en weer sloten bij vloed. De dames Van Dam en Van Amstel-Horák vertellen ons het verhaal van de bouw van een aantal dezer sluizen, zoals gereconstrueerd uit bronnen die al eeuwen in het Oud Archief van Rijnland berusten. Niet op alle vragen geven zij antwoord - ambachtelijk werk werd meestal in mondelinge traditie doorgegeven en slechts zelden in bestekken vastgelegd - en dus vormden analogieën uit andere bron welkome aanvullingen, maar toch wordt een betrouwbaar beeld geschetst van dit onderbelichte facet van de strijd tegen het water. Te weinig belicht omdat de 'natuurlijke lozing' in de tweede helft van de vorige eeuw werd opgevolgd door stoombemaling, waardoor relatieve onafhankelijkheid van weer en wind haar intrede deed en tevens een fijnere peilbeheersing van het binnenwater werd gerealiseerd.

De verandering hing niet alleen samen met de droogmaking van het Haarlemmermeer maar werd mede beïnvloed door de aanleg van het Noordzeekanaal en de inpoldering van Het IJ. De werken waren van enorme invloed op de boezemcapaciteit van Rijnland en de lossing van het overtollig water. Giebels doet in haar bijdrage verslag van de stekeligheden tussen de Amsterdamsche Kanaal Maatschappij (AKM) en het hoogheemraadschap, die vooral betrekking hadden op het in het Noordzeekanaal te handhaven peil. Rijnland meende dat het op 0,50 m beneden Amsterdams Peil gehouden diende te blijven, terwijl de AKM - mede vanwege de steeds groeiende schepen - een hoger waterniveau nastreefde, wat de benodigde capaciteit van de gemalen sterk zou opdrijven. Ten slotte werd een compromis bereikt door een nieuwe kunstmatige uitlaat in Katwijk te bouwen, zodat de Oude Rijn, die sinds de Middeleeuwen gesloten was gebleven, zijn oude functie terugkreeg.

Het boek geeft een gevarieerd en evenwichtig beeld van de ontwikkeling van één der bestaansvoorwaarden van ons land. Het gaat er immers nu niet alleen meer om het hoofd boven water te houden, maar ook verzekerd te zijn van droge voeten.