TWEEDERANGS IN JAPAN; Koreanen mogen niet aarden in het land van de voormalige kolonisator

Het bamboe gordijn dat Korea in tweeën verdeelt, scheidt ook de Zuid- en Noordkoreaanse gemeenschappen in Japan. Wat hen bindt is de discriminatie door de Japanners, die soms gewelddadige vormen aanneemt. De ouderen bewaren het liefst de eigen identiteit, maar de jongeren voelen zich al geheel verjapanst: 'Alleen als Korea tegen Japan voetbalt, ben ik voor beide'. Portret van een gescheiden gemeenschap, klemvast in Japan.

In maart kwamen de eerste berichten in de Japanse media over het molesteren van Koreaanse schoolmeisjes. Door hun schooluniformen zijn ze makkelijk herkenbaar. Een rok van een meisje werd door een Japanner met een mes bewerkt, een ander kreeg een steen naar het hoofd, weer een ander werd in de maag gestompt, nog een ander werd door Japanse scholieren geslagen nadat die haar Koreaanse naam op haar schooltas zagen. Intussen zijn bijna tweehonderd gevallen bekend geworden. Molestaties zijn eerder voorgekomen, telkens als de spanning om Noord-Korea oplaaide. Ook vier Koreaanse jongens werden in elkaar geslagen. 'Ga naar huis', 'Je maakt me ziek', sisten de belagers hen toe.

De Zuidkoreaanse gemeenschap in Japan gruwt er even hard van als de Noordkoreaanse. Ook de Japanse media spraken er schande van, de Japanse premier noemde het onaanvaardbaar, de Chosensoren - de enige Koreaanse organisatie in Japan die door Noord-Korea wordt erkend - protesteerde luid. Ze aarzelde niet de vergelijking te trekken met de massamoord op Koreanen na de grote aardbeving van 1923, toen geruchten wilden dat Koreanen het drinkwater hadden vergiftigd. De discriminatie van Koreanen bereikte deze zomer een climax met de inval door de politie van Kyoto in gebouwen van de Chosensoren. Een dag later zei de politie dat het haar speet. Ze was door het stadhuis verkeerd ingelicht over wetsovertreding bij aankoop van grond, maar bood geen verontschuldigingen aan.

Volgens een Japanse commentator zaaien de gewelddadigheden 'een gevaarlijk gif'. De ongemakkelijke verhouding tussen Koreanen en Japanners heeft volgens hem alles te maken met het feit dat Japanners alleen maar leren dat Korea eens hun kolonie was. Aan de Koreaanse opstand in 1921 tegen de Japanse kolonisator wijden Japanse schoolboeken slechts twee regels. Over het moderne Korea leren ze op school of aan de universiteit niets. Dat voedt hun superioriteitsgevoel. “Ik ga graag naar Japan, ik heb er Japanse vrienden”, zei een jonge Zuidkoreaanse vrouw die ik begin dit jaar ontmoette in Seoul. Maar de gevoelens over wat Japan haar land in het verleden had aangedaan, verdwenen nooit, zei zij.

Vliegtuigfabriek

De familie Dong zit bij opa en oma thuis onder de neon-lamp. De geel-leren armstoelen zijn ongemakkelijk groot voor de kleine kamer. Opa Ok Mo, oma Tsuroku, vader Hyo Cha, moeder Kyung Ja en zoon Yoo Sung. De zoon geeuwt terwijl Opa voor de zoveelste keer vertelt hoe hij als zestienjarige, de oudste van een arm en groot gezin uit Noord-Korea, op eigen houtje naar het land van de kolonisator trok. In Tokio, waar hij niemand kende, trok hij van baantje naar baantje. In de oorlog werd het steeds moeilijker om werk te vinden, maar het lukte het om in een vliegtuigfabriek aan de slag te komen. Via een Japanse collega ontmoette hij een vrouw die voor hem kon koken. Dat was oma. “Ik had geluk dat ik hem leerde kennen”, zegt zij nu. “Je zag in de oorlog zelden gezonde jongens, de meesten waren invalide.”

Wel werd zij gediscrimineerd omdat zij als Japanse met een Koreaan is getrouwd. Vlak na de oorlog werden Koreanen, de meesten uit het zuiden van het land, door de Japanse politie slecht behandeld, vertelt opa; je werd zomaar in de cel gegooid. Voor hij trouwde - het was nog oorlog - had hij daar nooit bij stil gestaan. Een huis kopen na de oorlog was onmogelijk. Staatspensioen kwam er alleen voor Japanners, niet voor Koreanen. Dat werd pas drie jaar geleden ingesteld. Vader: “Ik heb geschiedenis gestudeerd, maar ik mag nog steeds geen les geven aan een staatsuniversiteit of op een publieke school.”

Nog steeds woneen opa en oma in hetzelfde houten huis met schuifdeuren en Japanse veranda, dat - alleen de goden weten hoe - in hartje Tokio een Amerikaanse brandbom overleefde. De kamer met de gele fauteuils is er de enige westers ingerichte ruimte. Opa heeft zijn familie nooit teruggezien. Ze sturen elkaar nog brieven, maar hij weet niet zeker of de zijne ongecensureerd hun bestemming bereiken. Omgekeerd waarschijnlijk ook niet, zegt hij.

De geschiedenis van de familie Dong is, net als die van al die andere Koreaanse families in Japan, verknoopt met de Japanse kolonisatie van Korea (1910 - 1945), toen meer dan een miljoen Koreanen naar Japan vertrokken. De eersten vrijwillig, vaak nog heel jong, op zoek naar werk, zoals opa Ok Mo, de meesten later als dwangarbeider of dwangsoldaat. In Japan wonen nog bijna zevenhonderdduizend Koreanen, al tot in de vierde generatie. Het is veruit de grootste groep buitenlanders, die - net als op het Koreaanse schiereiland - is gescheiden in een Zuidkoreaanse en een Noordkoreaanse gemeenschap, ieder met zijn eigen organisatie. Daartussen woedt nog steeds de Koude Oorlog: ook in Japan loopt de 38ste breedtegraad soms dwars door families heen. Het enige wat hen bindt, is de sluimerende discriminatie in Japan, die soms oplaait tot gewelddadigheid.

“Het is moeilijk in Japan Koreaan te zijn”, zegt vader Hyo Cha. Hij behoort tot de tweede generatie Koreanen die in Japan zijn geboren. Hij spreekt geen Koreaans maar Japans, en zegt hetzelfde gevoel te hebben over de Japanse cultuur als Japanners. Zijn twee zoons heeft hij Japans opgevoed. En toch houdt de discriminatie in Japan nooit op, vertelt hij. “Je wordt gedwongen je Koreaan in Japan te voelen en van je kinderen te denken dat ze geen Japanner zijn.”

Statistieken

Nog altijd staat opa Ok Mo aan het hoofd van het bedrijf, 'Heiwa' (Vrede) geheten, waarvoor hij vlak na de oorlog de basis legde door handel in oud ijzer. Intussen is het een miljoenenbedrijf geworden. Zijn twee zoons voeren de directie, de rest van het personeel is Japans. Opa praat met zijn vrienden nog veel over Korea, vader Hyo Cha zou zich er graag vestigen als het land wordt herenigd. Maar de derde generatie heeft al geen belangstelling meer voor de wortels van de familie. Voor hen is Korea buitenland. Zoon Yoo Song (17) is driemaal met vakantie in Zuid-Korea geweest, maar hij zou er niet naartoe willen verhuizen. En hoewel hij weet dat hij geen honderd procent Japanner is, vindt hij Japan heel wat aangenamer. “Alleen als Korea tegen Japan voetbalt, ben ik voor beide.”

Vlak voor de Tweede Wereldoorlog woonden er 960.000 Koreanen in Japan; aan het eind van de oorlog zou dat aantal volgens officiële Japanse cijfers meer dan verdubbeld zijn tot 1,9 miljoen. Maar volgens de Zuidkoreaanse organisatie de Mindan was dat aantal aan het eind van de oorlog veel hoger, vertelt directeur Chung Mong Joo van de Mindan op zijn kantoor in Tokio. Hij kwam uit op 2,4 miljoen Koreanen, van wie ruim de helft onder dwang naar Japan was gestuurd.

Direct na de oorlog keerden 1,3 miljoen Koreanen naar hun vaderland terug. In 1947 waren er in Japan ten slotte nog 600.000 over. Dat zij achterbleven, had volgens Chung verschillende oorzaken. Je mocht uit Japan maar weinig geld meenemen naar Korea. Degenen die al voor de oorlog een redelijk bestaan hadden opgebouwd, bleven daarom liever wonen in Japan. Velen stuurden eerst een familielid vooruit om te zien hoe het was in Korea. Zij die naar het noorden vertrokken mochten van de communisten niet terug, hoewel het sommigen lukte illegaal terug te gaan. Vele families raakten gescheiden, zoals opa Ok Mo ook overkwam.

Spandoeken

So Chung On is assistent-professor aan de Universiteit van Korea, de Japanse dependance van de universiteit in Pyongyang. Hij doceert economie en politiek aan de faculteit der politieke wetenschappen en is gespecialiseerd in de betrekkingen met Amerika. Op de muren van de gebouwen staan reusachtige, lovende teksten over Kim Il Sung en Kim Jong Il die onmiddellijk doen denken aan de enorme spandoeken op de campus van de Nationale Universiteit in Seoul tegen Amerika en tegen de Zuidkoreaanse regering. De universiteit is in 1956 gesticht, met geld uit Noord-Korea. Tweederde van de exploitatie wordt nu gefinancierd door de pro-Noordkoreaanse gemeenschap in Japan (tweehonderdduizend van de bijna zevenhonderdduizend Koreanen). In de hal hangt een wezenloos portret van Kim Il Sung omringd door aanbidders.

Zijn studentes gaan gekleed in de traditionele chima chigori, witte blouses met lange donkerblauwe geplooide rokken die hoog sluiten. Hun mannelijke studiegenoten die buiten een balletje trappen, dragen jeans en t-shirts. De studentes mogen op de campus niet roken, de mannelijke studenten wel - na hun eerste jaar. Volgens So heeft dat te maken met de strenge Koreaanse traditie jegens vrouwen.

Elke student leert hier Koreaans. Aan het eind van hun vierde jaar gaan de studenten een maand naar Noord-Korea, waar ze - met een Japans accent - met Noordkoreaanse studenten spreken. Nee, jaloezie kennen die niet, zegt So. Het valt hem juist op hoe puur de studenten uit Noord-Korea nog zijn. “Ze kennen het kapitalisme niet.”

Bij een vijver staat een groepje studenten. So legt uit wie de bezoeker is. Hoe vriendelijk hij ook is, met hem erbij - hij is tenslotte ook functionaris van de Chosensoren die niets doet zonder toestemming van Pyongyang - stel ik de studenten geen vragen. Het is al erg genoeg dat ze 's avonds om zeven uur binnen moeten zijn en in het weekend om tien uur en dat ze bij een feestje in Tokio speciale toestemming moeten vragen of ze later binnen mogen komen.

Curriculum

Afgestudeerden kunnen leraar worden op een van de 150 scholen die de Chosensoren in Japan beheert, een baan krijgen aan deze universiteit of bij de vier handelshuizen, bij de bank van de Chosensoren of bij een bedrijfje van een landgenoot in Japan. Dat is dan ook alles. Bij Japanse bedrijven worden ze geweerd. Aan Japanse staatsuniversiteiten mogen ze niet studeren omdat ze volgens het Japanse ministerie van onderwijs een vrij curriculum hebben genoten op school, dat wil zeggen: geen gecensureerde schoolboeken hebben gehad zoals op Japanse scholen. Een Japanse opleiding krijgen is moeilijk: deze jonge mensen zijn bij hooguit veertig procent van de particuliere universiteiten of particuliere scholen welkom. Een begaafde scholiere die eerst op een pro-Noordkoreaanse middelbare school had gezeten en vervolgens in recordtijd een Japanse school doorliep, werd dit jaar de toegang geweigerd tot een particuliere universiteit in Tokio: het ministerie van onderwijs had daar afwijzend over geadviseerd.

Toch zitten op deze universiteit ook enkele studenten uit de Zuidkoreaanse gemeenschap, volgens So omdat hun ouders willen dat ze Koreaans leren. Toevallig heeft hij Zuidkoreaanse vrienden, die volgens hem genuanceerd denken over Noord-Korea. Maar dat is een uitzondering. Soms zijn er contacten tussen verwanten in de Zuid- en Noordkoreaanse gemeenschap, meestal helemaal niet. De beide gemeenschappen leiden een gescheiden bestaan, zegt So. Nu dit jaar de internationale spanning over Noord-Korea is opgelopen, patrouilleert de Japanse politie rondom de universiteit. Ze vraagt naar identiteitspapieren. Volgens So doet de politie dat bij geen enkele buitenlander in deze omgeving. “Ze vragen of je fiets van jou is.”

Uittocht

Begin jaren vijftig had de Zuidkoreaanse organisatie in Japan maar weinig leden vergeleken met de Noordkoreaanse. Direct na de oorlog waren er in Japan wel driehonderd Koreaanse organisaties, overkoepeld door een unie die vol zat met communisten, anarchisten en Japan-aanbidders. Die kregen de steun van de Japanse communisten en de meesten werden zelfs lid van de Japanse communistische partij, daartoe om internationalistische reden aangemoedigd door de Noordkoreaanse leider, Kim Il Sung. De anti-communisten werden eruit gewerkt. Die richtten hun eigen organisatie op, de Mindan.

Na een ideologische breuk tussen de pro-Noordkoreanen en de Japanse communisten werd in 1955 met steun van de Japanse socialisten de Chosensoren opgericht. Elf jaar later, in 1966, volgde een uittocht uit de Chosensoren naar de Mindan, toen Japan diplomatieke betrekkingen aanknoopte met Zuid-Korea en Koreanen met een Zuidkoreaanse nationaliteit in Japan 'ingezetenen' konden worden die hen een minder lage status gaf. Daarom voelen de leden van de Chosensoren, die nog steeds uit politieke overtuiging pro-Noord-Korea zijn en de Noordkoreaanse nationaliteit hebben, zich tot op de dag van vandaag dubbel gediscrimineerd.

Koreanen in Japan, zeker de derde en de vierde generatie, zijn voor Japanners fysiek niet van henzelf te onderscheiden. Maar als ze laten blijken dat ze geen Japanner zijn, kunnen ze moeilijk een baan krijgen, of een banklening. Beide organisaties hebben tegenwoordig in Japan hun eigen bank met filialen in het hele land, elk met een kapitaal van zo'n (omgerekend) veertig miljard gulden. Ondanks de discriminatie genieten de Koreaanse gemeenschappen een welvaart die vergelijkbaar is met die van Japanners. Eigen ondernemingen zijn hoofdzakelijk te vinden in de wereld van de pachinko, de speellokalen, die voor tweederde in handen is van de Koreanen - gelijkelijk verdeeld onder Zuid- en Noordkoreanen. De Mindan en de Chosensoren voeren onderling Koude Oorlog; sinds een aantal jaren wordt alleen gepraat over kwesties als sociale uitkeringen en de gehate vingerafdrukken voor identiteitspapieren.

Eilanders

Alle leden van de familie Dong in Tokio hebben de Zuidkoreaanse nationaliteit, ook oma. Wat vinden ze van Japanners? Vader Hyo Cha: “Japanners zijn heetgebakerd, maar koelen ook makkelijk af, net als oma”. Oma kijkt verschrikt op. Volgens moeder kennen ze twee kanten: wat ze zeggen en wat ze menen. Opa zegt dat hij persoonlijk goed met ze kan opschieten, maar zoon vindt het niet gemakkelijk met ze bevriend te worden. De oudste zoon, Ji Sung (19), komt binnen, net terug van sporten. Wat hij van Japanners vindt, wil de familie lachend weten. Zonder aarzeling: “Eilanders.”

Japanners verbergen hun geschiedenis, vertelt vader - praatgraag als een echte leraar. Hij heeft een jaar in Duitsland gestudeerd, aan de universiteit van Heidelberg. Duitsers zouden volgens hem aan Japanners een voorbeeld kunnen zijn. Maar in Japanse geschiedenisboeken wordt Japan altijd vanuit het Japanse gezichtspunt bezien, nooit vanuit dat van een ander land. In zulke boeken heten oorlogen de Japans-Chinese Oorlog, de Japans-Russische Oorlog. Grote oorlogen, leren de Japanners, hoewel het in feite om de macht over Korea ging. Misschien komt het verschil tussen Duitsland en Japan wel doordat Duitsland het centrum van Europa is en China dat van Azië, niet Japan, zegt vader.

En wat vinden Japanners volgens hen van Koreanen? Ze kijken nog steeds op ons neer, zegt opa. Daarbij zeggen ze nooit wat ze menen, anders dan de Koreanen die zeggen waar het op staat. Een Japanner zegt altijd 'misschien', voegt vader eraan toe. De oudste zoon vat de overeenkomsten en verschillen voor de bezoeker tenslotte samen. Koreanen en Japanners zijn beiden slim, maar Japanners zijn meer strategische denkers. Ze zijn ook tactvol, precies, nauwkeurig, accuraat. Zowel Japanners als Koreanen zijn toegewijd. Maar Koreanen zijn minder subtiel, hechten niet zo aan vormelijkheid, hebben minder consideratie. “Koreanen zijn te eerlijk”, besluit hij.