Sinds januari 150 zaken behandeld; Tevredenheid en achterdocht bij Europol

DEN HAAG, 3 SEPT. Geen Eurocops die druk in en uit lopen maar Europese 'verbindingsofficieren' die staren naar een computerscherm. Geen grote, druk bevolkte zaal maar een lange gang met van elkaar gescheiden kantoortjes. In het kantoor van Europol aan de Raamweg in Den Haag, waar vroeger de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI) huisde, heerst vooral rust.

De droom van de Duitse bondskanselier Kohl om van Europol een slagvaardige Europese politie-eenheid te maken, is nog lang geen werkelijkheid. Europol is voorlopig alleen nog een 'service-bureau', een doorgeefluik van politiedata, waar 28 Europese politie-afgevaardigden informatie uitwisselen uit de databestanden van hun landen over drugstransacties in Europa. “Maar het werkt”, zegt de directeur van Europol, de Duitser Jürgen Storbeck. Zijn organisatie heeft sinds zij in januari begon, al 150 zaken behandeld. De verbindingsofficieren uit elf lidstaten - alleen Portugal heeft nog geen vaste kracht - worden dagelijks gebeld met verzoeken om informatie.

Dit voorjaar bijvoorbeeld vroeg de Griekse douane die 20 kilo cocaïne had gevonden op een schip dat met een lading groenten van de Griekse havenstad Patras naar Antwerpen ging, om informatie over de 61 bemanningsleden. “Normaal moeten alle bemanningsleden worden ondervraagd”, zegt Storbeck, “Maar door Europol in te schakelen wist Griekenland dezelfde dag nog dat een Belgisch, een Frans en een Nederlands bemanningslid eerder betrokken geweest waren bij drugssmokkel.”

Europol werd opgericht uit de behoefte de gezamenlijk de groeiende grensoverschrijdende misdaad te bestrijden. De uitwisseling van justitiële informatie door het wereldwijde Interpol verliep te traag en wegens de vermeende infiltratie van drugskartels in die organisatie, hielden Europese landen hun gegevens liever voor zichzelf.

Bondskanselier Kohl zei vorige week in een vraaggesprek met het Duitse tijdschrift Focus dat Europol moest uitgroeien tot een soort Europese FBI. Maar Europol heeft tot dusver nog niet eens het recht er een eigen databestand op na te houden. Europol is een 'fantoom', schreef de Süddeutsche Zeitung enkele weken nadat het bureau zich in Den Haag had gevestigd. Omdat geen verdrag getekend is, bestaat Europol als communautaire instelling eigenlijk niet.

Dat Europol desondanks werkt, dankt het aan het intergouvernementele besluit in juni 1993 - dat vooral op instigatie van Duitsland tot stand kwam - om zonder gemeenschappelijke juridische basis toch alvast aan de slag te gaan. Zonder het recht op een eigen databestand is Europol afhankelijk van de informatie die de lidstaten bereid zijn aan elkaar af te staan. Om dat recht op informatieverstrekking moeten de verbindingsofficieren van Europol iedere keer opnieuw vragen. Vandaar de gescheiden kantoortjes: de verbindingsofficieren mogen niet over elkaars schouder in nationale databestanden spieken. Een achterdochtige manier van samenwerken, dat geeft directeur Storbeck wel toe.

Hoe lang gaat het duren voordat Europol zelf een onderzoeken kan leiden en arrestaties mag verrichten? Volgens Storbeck laat een supranationale politiemacht in Den Haag nog even op zich wachten. Maar hij sluit niet uit dat Europol in de nabije toekomst onderdak zal bieden aan een 'internationale task-force'. Een groep Europese rechercheurs die samenwerkt, maar opereert volgens de eigen nationale wetten. Een Nederlander doet een ondervraging in Nederland, een Duitser doet een arrestatie in Duitsland, een Fransman een huiszoeking in Frankrijk en hun gemeenschappelijke hoofdkantoor is Europol. “Het voordeel van die samenwerking”, zegt Storbeck “is dat als bij de ondervraging door de Nederlander een bar in Parijs ter sprake komt en er een Franse rechercheur aanwezig is, hij weet waar die bar is en wie daar altijd komen.”

Zonder samenwerking is de internationale misdaad niet meer te bestrijden, zegt Storbeck. “Het politiekorps in Groningen kan niet de strijd aanbinden met het Medellín-kartel.” Storbeck acht een Europese federale politie in de toekomst ook niet uitgesloten. “We hebben de NAVO opgezet en we hebben een gemeenschappelijke markt, waarom zouden we geen gezamenlijke politiemacht kunnen hebben?”

Vooral de rechtsgebieden van nucleaire smokkel, smokkel van organen en milieucriminaliteit lenen zich volgens hem voor een gemeenschappelijke aanpak, omdat de meeste lidstaten daar nog geen afzonderlijke jurisprudentie over hebben. Harmonisatie van de Europese wetgeving is een struikelblok voor de totstandkoming van een Europese federale politie.

Volgens prof.mr. C. Fijnaut, hoogleraar strafrecht aan de universiteiten van Rotterdam en Leuven, is het voorstel van Kohl om van Europol een Europese FBI te maken, niet verstandig. Afgezien van de emoties die het idee van een Duitse politieman aan de deur oproept, wekt het volgens hem verwachtingen die Europol niet kan waarmaken. “Niemand kan zich toch voorstellen dat een Amsterdamse politiejongen even naar Parijs gaat om daar een arrestatie te verrichten.”

Oud-hoofdcommissaris van Rotterdam J.A. Blaauw ziet ook niets in een uitvoerende Europese politiemacht: “Het is een mooie politieke uitspraak maar in de praktijk stelt een Europese FBI geen donder voor. De bestrijding van de misdaad begint nog altijd bij de wijkagent. De criminaliteit moet worden aangepakt waar zij zit.” Met de groeiende grensoverschrijdende misdaad is uitwisseling van informatie tussen de Europese politiekorpsen volgens Blaauw wèl noodzakelijk. Hij pleitte jaren geleden al voor die uitwisseling.

Maar zonder verdrag verloopt ook de informatie-uitwisseling nog hortend en stotend. “Stel dat de naam Jansen in verband met een misdrijf aan de verbindingsofficieren van Belgie, Spanje en Frankrijk wordt doorgegeven”, zegt G.A.H. Mangelaars, hoofd van de afdeling bij de CRI die de verzoeken om informatie van en aan Europol behandelt, “dan zou het handig zijn om die naam bij Europol te registreren. Maar eenmaal verstrekt, is de informatie weer terug bij af.”

In Nederland moet de wet politieregisters en de wet persoonsgegevens worden nageleefd. Mangelaars: “Je kunt niet alle informatie uit handen geven in het belang van de snelheid en de efficiëntie. In andere landen gaat men anders om met persoonsbescherming dan hier. Zolang jij alleen over de informatie beschikt, weet je zeker dat je eigen rechtsregels gelden.”

Het Duitse voorzitterschap van de EU doet er alles aan om het verdrag over Europol nog voor het einde van dit jaar ondertekend te krijgen. De onderhandelingen over dit verdrag zijn geheim, maar vermoedelijk zal het de bepalingen over justitiële samenwerking die al in het verdrag van Schengen staan, grotendeels kunnen overnemen.

De vraag is of de bestaande Nederlandse privacyregels in de uiteindelijke Europese versie nog wel recht gedaan zullen worden. Het meest afschrikwekkende voorbeeld van waar de internationale uitwisseling van gegevens toe kan leiden, is de affaire-Harm Dost. Hij werd zeven jaar geleden tot gevangenisstraf veroordeeld in Duitsland, wegens handel in hasj nadat de Nederlandse justitie aan de Duitse collega's inzage had gegeven in zijn dossier. De Amsterdamse hoogleraar strafrecht C.F. Rüter schreef enkele jaren geleden al in deze krant dat Europol niet mocht ontaarden in een instituut voor de berechting van “Duitse vrouwen die zich in het buitenland lieten aborteren”

Fijnaut vindt echter dat je over privacyregels “eindeloos kunt spreken, maar ook wel een keer aan het werk moet”. Er moet een balans zijn tussen wat je wilt beschermen en de effectiviteit, zegt hij. “Het kan niet zo zijn dat de privacywetgeving de uitwisseling van informatie blokkeert terwijl ondertussen kleine en grote schurken ongestoord dwars door Europa reizen.” Ook hoofdcommissaris Blauw vindt dat het belang van privacy veelal wordt overdreven. “Het recht van de burger die bedreigd wordt, gaat boven de privacy van een crimineel. Ik zie niet in waarom wij een Nederlander die in Duitsland in drugs handelt, moeten beschermen.”

Volgens Fijnaut wordt de discussie over Europol vertroebeld door emotionele aspecten, temeer daar het vooral Duitsland is, dat het instituut graag groot wil maken. De vergelijking van Europol met het Duitse Reichssicherheitshauptamt (RSHA) uit de Tweede Wereldoorlog die zijn Amsterdamse collega Rüter maakte, vindt Fijnaut “afschuwelijk”. “Duitsland ligt midden in Europa en wordt aan alle kanten geconfronteerd met de groeiende internationale misdaad. Dat het aandringt op Europese politiesamenwerking, vind ik heel vanzelfsprekend.” De Duitse voorstellen voor Europese integratie zijn volgens Fijnaut “juist een middel om een einde te maken aan het ongemak van de Duitse staat. Daar vind ik weinig laakbaars aan.”

Nederland moet, hoe dan ook, nog een beetje wennen aan Europol. Tot dusver kwamen slechts tien verzoeken om informatie aan Europol van de Nederlandse politiekorpsen, terwijl omgekeerd 75 verzoeken om informatie uit andere landen aan Nederland zijn gedaan. Mangelaars wijt dat aan de reorganisatie van de politiediensten in Nederland en aan onbekendheid met de mogelijkheden. “Europol is bedacht door de politiek, niet door onze politie-organisaties zelf”, zegt hij.