Opvoedkundige hulp aan ouders middel tegen kindermishandeling

DEN HAAG, 3 SEPT. Er moet meer opvoedkundige hulp komen voor ouders die niet weten wat ze met hun kinderen aan moeten. Toegankelijke en informele hulpverlening is, als die in een vroeg stadium wordt verleend, een goede preventie tegen kindermishandeling en jeugdcriminaliteit.

Deze oproep klonk gisteren op het Nationaal Forum Gezinsondersteuning in Den Haag, een symposium in het kader van het Internationale Jaar van het Gezin.

De traditionele jeugdhulpverlening komt meestal te laat op gang, zo meenden verschillende sprekers, bijvoorbeeld pas wanneer kinderen al met justitie in aanraking zijn gekomen. Mevrouw H.W.J. Geelinck, voormalig jeugdofficier van justitie in Arnhem: “Ik stuitte op een jongen uit een gezin van drie kinderen waarvan de moeder was overleden en de vader altijd aan het werk was. Daar bleek nog nooit een hulpverlener over de vloer te zijn geweest. Moet ik dan tegen zo'n kind zeggen dat hij niet deugt?”

De jeugdhulpverlening zou moeten worden gedwongen zich meer op de vraag van ouders te richten in plaats van uit te gaan van het aanbod van bedden in kindertehuizen, zo werd gezegd. J. Hermanns, hoogleraar opvoedingsondersteuning aan de Universiteit van Amsterdam: “We hebben te lang gedacht dat we kinderen konden genezen. We hebben te lang de vraag van de ouders genegeerd. Het gaat om meer opvoedingsondersteuning en minder kindertehuizen. De tijd van de kindertehuizen is voorbij.” Hij werd bijgevallen door J.C.A. van Acker, hoogleraar orthopedagogiek aan de Katholieke Universiteit Nijmegen: “De belangrijkste fout die wordt gemaakt is het diskwalificeren van de ouders. Het wijzen naar schuldigen zit al in het systeem van kinderbescherming ingebakken. Hulpverleners moeten zoeken naar de positieve eigenschappen van ouders, hoe moeilijk dat ook is, bijvoorbeeld als het gaat om verwaarlozing.”

Een precaire kwestie is volgens de deelnemers de vraag hoe ouders kunnen worden bereikt die met grote opvoedkundige problemen kampen maar daar niet mee naar buiten treden. Vice-voorzitter W.J. Kozijn van de Nederlandse Gezinsraad: “Vroeger had je in katholieke delen van het land de Vincentius-vereniging die iedere week kwam kijken of het geld wel goed werd besteed. Hoe bereik je zulke mensen nu? We moeten voorkomen dat er een sociale onderklasse onstaat.” Voorzitter J.A.R. Heemskerk van de Raad voor het Jeugdbeleid hield een pleidooi voor een zogeheten 'tweede thuis'. In deze huizen zouden kinderen samen kunnen spelen en wellicht zouden ze ook kunnen bijdragen aan de integratie van allochtone jongeren. Kinderopvang kan eveneens een belangrijke bijdrage aan de opvoeding leveren, aldus de sprekers. Veel aandacht ging op het congres uit naar cursussen voor allochtone kinderen van nul tot en met zes jaar èn voor hun ouders. De leerprojecten moeten verhinderen dat kinderen met een achterstand aan hun schoolcarrière beginnen.

Geen van de aanwezige politici voelde iets voor de suggestie van forumleider Paul Witteman om een wet in te stellen die het slaan van kinderen verbiedt. Tweede Kamerlid mevrouw E. Kalsbeek-Jasperse van de PvdA: “Ik deel thuis ook wel eens een tik uit, maar dat betekent niet dat ik het kind mishandel. Waar ligt de grens? Bij drie tikken?” CDA-Kamerlid A. Lansink: “Zo'n wet is moeilijk te handhaven. Bovendien zou een dergelijke wet voorbij gaan aan geestelijke mishandeling zoals het vernederen en voortrekken van het ene kind boven het andere. Zulke zaken hebben vaak nog ernstiger gevolgen.”