Nuis weet noemen van elk bedrag te vermijden

Nuis heeft gelijk: kunst is geen franje, maar hoort in het hart van de samenleving. Deze en andere behartenswaardige woorden sprak Nuis in zijn maiden-speech als staatssecretaris van Cultuur, die op de opiniepagina van eergisteren is afgedrukt. Of kunst die plaats in het centrum daadwerkelijk in kan nemen hangt volgens Nuis in de eerste plaats af van de kunst en de kunstenaars zelf, daarna van de samenleving en pas in de laatste plaats van de politiek.

Dat is maar gedeeltelijk waar. Om die centrale positie in te kunnen nemen, moet de kunst wel eerst de ruimte hebben gekregen zich te ontwikkelen. En dat hangt niet in de laatste plaats af van de politiek, want die schept de voorwaarden en verschaft de middelen.

Terwijl de afgelopen week de kranten vol hebben gestaan over dreigende bezuinigingen in de cultuursector, waarbij steeds hogere bedragen werden genoemd, weet de staatssecretaris in zijn betoog het noemen van ook maar één bedrag te vermijden. Brinkman is in zijn begintijd als minister van Cultuur wel eens getypeerd als boekhouder. Dat verwijt zal Nuis nooit treffen. Hij kent de zinsnede uit Lady Windermere's Fan van Oscar Wilde, aan wie hij in zijn literaire leven een beschouwing wijdde: 'A man who knows the price of everything and the value of nothing.' Het tegenovergestelde zou voor een bewindspersoon echter ook geen compliment zijn.

In de cultuursector is inhoud belangrijker dan geld, maar voor die inhoud moet er wel eerst meer geld zijn. Dat hadden de drie paarse partijen vóór de verkiezingen ook al geconstateerd.

Bij de kamerbehandeling van de regeringsverklaring zei Kok dat het in het vooruitzicht gestelde extra geld voor cultuur ingezet zal worden om de dreigende bezuinigingen te compenseren. Hij verwoordde het als 'remmen en gas geven tegelijk en dan moet je des te beter sturen'. Om de strekking te begrijpen van deze beeldspraak, die vast niet uit de koker van zijn cultuurbewindspersoon kwam, heb ik die avond bij het naar huis rijden de proef op de som genomen en geconstateerd dat tegelijk remmen en gas geven tot stilstand leidt en dat er dan weinig valt te sturen.

Terecht werd door de fractieleiders van D66 en VVD, Wolffensperger en Bolkestein, opgemerkt dat het in strijd is met het geest van het regeerakkoord als de kunst- en cultuurbegroting niet per saldo wordt verhoogd.

Nuis betoogt in de Volkskrant van gisteren dat het moeilijk is om de voor de verkiezingen gedane belofte van meer geld voor cultuur gestand te doen, omdat er nu een nieuwe situatie is, namelijk een veel grotere bezuinigingsoperatie (18 miljard) dan was opgenomen in de paarse verkiezingsprogramma's. Hij vergist zich hierin echter. De bezuinigingsbedragen van PvdA, D66 en VVD bedroegen toen respectievelijk 14, 18 en 23 miljard; 18 miljard is daarvan het gemiddelde.

In zijn speech zegt de staatssecretaris dat het te verdedigen is dat ook de cultuursector een redelijk aandeel levert in de poging van het kabinet om door lastenverlichting meer werk en bedrijvigheid te scheppen. Van de oplevende economie zal namelijk ook de kunst profiteren. Met andere woorden, bezuinigen op kunst is goed voor de kunst. En dat terwijl in de kunstensector het meeste geld ten goede komt aan de werkgelegenheid als salarissen en inkomsten voor kunstenaars. In het 'Strategisch Plan voor de Monumentenzorg' is zelfs geconcludeerd dat meer geld in die sector zozeer de werkgelegenheid bevordert, dat de extra middelen uit werkgelegenheidsbudgetten zouden moeten komen.

Bovendien is bekend dat kunst grote bedrijvigheid om zich heen creëert. Treffender dan alle onderzoeken die dit spin-off effect beschrijven, is het voorbeeld dat deze week in de krant stond. Horecaondernemers van Terschelling willen het Oerolfestival voor straat- en margetheater weer oprichten, omdat het eiland zonder dit festival vele miljoenen inkomsten misloopt.

Nuis spreekt geruststellende woorden over het feit dat er nu een staatssecretaris is in plaats van een minister voor cultuur. Ze komen ongeveer neer op: je bent zo minister als je je voelt.

Belangrijker dan de statuskwestie is inderdaad dat er nu iemand zit die zich primair op cultuur kan concentreren; bovendien iemand met grote verbondenheid met dit terrein. Van nog meer betekenis voor de plaats van cultuur in het regeringsbeleid, is de overheveling van cultuur van het ministerie van WVC naar het ministerie van O&W. Na een lange, door de tijdgeest bepaalde omzwerving, komt cultuur eindelijk weer thuis, bij het ministerie dat zich altijd al bezig hield met cultuur, maar dan in bredere zin.

Nuis wijst er bovendien op dat er naast de minister van OCW wel meer ministers van cultuur zijn, zoals de minister van Buitenlandse Zaken. Denk ook aan de andere vice-premier, de minister van Binnenlandse Zaken, die jarenlang cultuurwoordvoerder was van de VVD. Ik help Nuis hopen dat alle ministers zich een beetje minister van cultuur weten en voorkomen wordt dat - zoals in de vorige kabinetsperiode - een minister gevraagd naar diens favoriete klassieke componist antwoordt: 'Peer Gynt'.

Liepen de dagkoersen van de cultuurbezuinigingen deze week op tot 78 miljoen, nu zitten we op nul. Het 'nee heb je, ja kun je krijgen' uit de speech van de staatssecretaris was toen hij werd uitgesproken feitelijk al 'nul heb je, meer kun je krijgen'. Dat is waarschijnlijk wel een verdienste van Nuis, maar niemand is er blij mee. Als het echter in dit tempo doorgaat zijn we snel aan de beoogde zestig miljoen extra. Met spanning wordt tegemoet gezien of de paarse fractieleiders bij de komende algemene beschouwingen over de Rijksbegroting in een motie aan hun pleidooi voor meer geld voor cultuur zullen vasthouden.