NO DOLLARS, NO CUBA; De dollar-Cubanen blijven, de Castro-volgelingen vertrekken

Het is de zomer van ontevredenheid in Cuba. Duizenden storten zich met geïmproviseerde vlotten in zee, in de hoop op een beter leven in de VS. Maar waarom blijft het rustig in de straten van Havana? De geleidelijke ontbinding van de Castro-revolutie.

Een gegeven paard mag je natuurlijk niet in de bek kijken. Toch zijn de Cubanen niet onverdeeld gelukkig met de zending stadsbussen uit Rotterdam. De afdankertjes van de RET hebben wel enige verlichting gebracht in de enorme schaarste aan transportmiddelen in Cuba. Maar net als de overige stadsbussen, de omgebouwde vrachtwagens en Ersatz-constructies zoals de 'Kameel' - een oude Roemeense truck met oplegger en twee 'passagiersbulten' - zijn ook de voormalige RET-bussen doorgaans afgeladen vol. En in de Cubaanse zomer met temperaturen boven de 35 graden en een hoge luchtvochtigheid zijn de Nederlandse voertuigen met kleine raampjes en weinig ventilatie net hornos, zoals de Cubanen zeggen - ovens.

De Cubaanse samenleving doet ook aan een oven denken, of aan een snelkookpan. Meerijden tot het eindpunt of uitstappen, dat is de keuze waarvoor vele Cubanen zich dezer dagen gesteld zien. In de lange rijen wachtenden voor de bus in Havana luidt nu de grap: “Wanneer gaat de laatste naar Miami?” “Gewoon achter in de rij aansluiten”.

En uitstappen doen de Cubanen massaal in deze tweede hete zomer van hun ontevredenheid. De afgelopen maand zijn er meer dan 20.000 in wrakke bootjes en op vlotten in de richting van Miami afgevaren. Ze hadden het politieke tij mee. In een geraffineerde zet om de Amerikanen dwars te zitten, besloot de Cubaanse leider Fidel Castro alle beperkingen op te heffen. Niet langer houdt de Cubaanse grenswacht de bootvluchtelingen tegen. Het resultaat is een vertraagde versie van de grote uittocht van 1980, toen in vijf maanden tijd zo'n 125.000 Cubanen zich door familie of vrienden uit Miami in een kleine vloot van pleziervaartuigen lieten afhalen in de haven van Mariel, bij Havana.

Ditmaal liggen de zaken anders. De Amerikaanse president Clinton reageerde onkarakteristiek snel op de golf Cubanen die de kust van Florida dreigde te overspoelen. De Cubaanse bootvluchtelingen krijgen niet langer automatisch een verblijfsvergunning voor de Verenigde Staten. Nu worden ze rechtstreeks vanaf hun vlotten naar de Amerikaanse marinebasis Guantánamo Bay op de zuidoostelijke punt van Cuba gebracht, voor wat de Amerikaanse autoriteiten een “verblijf van niet-vastgestelde duur” noemen. Het schrikt de Cubaanse balseros, zoals de vluchtelingen worden genoemd, niet af. Integendeel. Beter in Guantánamo met enig uitzicht op migratie naar de VS, dan Cuba met alleen uitzicht op nog meer ellende.

De Amerikaanse politiek ten opzichte van Cuba lijkt in elk geval binnenslands enige vruchten af te werpen. Uit een opiniepeiling in Newsweek bleek dat bijna de helft van de ondervraagden het Cuba-beleid van Clinton onderschrijft. Deze week begonnen bovendien de eerste gesprekken over de migratiekwestie tussen Amerikaanse en Cubaanse autoriteiten bij de Verenigde Naties in New York.

Waar de stroom vluchtelingen voor Fidel Castro een tijdelijke oplossing biedt, een ventiel op de snelkookpan, daar zien de Amerikanen slechts een symptoom van de ongeneeslijke ziekte die Cuba 35 jaar geleden trof. Een oudere dissident, die naar het buitenland wil en dus niet met name kan worden genoemd, zegt: “Het systeem verkeert in een coma, maar je weet dat je in die staat nog jaren kan overleven”.

Schaarste

De grote vraag is of de gebeurtenissen van de afgelopen weken het begin van het einde van het communistische regime zijn. Als de aantallen bootvluchtelingen een graadmeter vormen, dan is het antwoord 'nee'. In 1980, tijdens 'Mariel' verliet in een half jaar tijd iets meer dan één procent van de bevolking het eiland. Veertien jaar later, na de val van de Berlijnse Muur, het wegvallen van de relatie met het voormalige Oostblok en de almaar ernstiger economische crisis gaat het nog maar om een fractie van de aantallen uit 1980. Als Cubanen met hun voeten zouden stemmen, dan wint Castro nog steeds de verkiezingen. Castro's Final Hour, zoals de Amerikaanse journalist Andres Oppenheimer twee jaar geleden zijn voortreffelijke boek noemde, dreigt om te slaan in Castro's Final Years.

Toch is verandering onvermijdelijk. De algemene ontevredenheid over de economische schaarste (en in mindere mate over de repressie) wordt juist versterkt door de wanhopige en veelal impopulaire maatregelen die het regime neemt. De 'dollarisering' van het eiland is er een goed voorbeeld van. In een poging tegelijkertijd de toenemende schaarste aan consumptiegoederen en het gebrek aan buitenlandse deviezen aan te pakken, trok het regime vorig jaar juli het verbod op het bezit van vreemde valuta in. Tot die tijd circuleerde de Amerikaanse munt vooral op de bloeiende zwarte markt. Na de legalisering volgde echter een drastische verhoging van de prijzen in de officiële, zogenoemde dollarshops. De zwarte markt is daardoor nog steeds een aantrekkelijker alternatief.

In de etalages van de dollarshops pronken Spaanse frisdrank en Nederlandse mayonaise met absurd hoge prijskaartjes. Maar het is er vergeefs zoeken naar toiletpapier. In de lange rij voor de kassa staan we achter een Miami-Cubaanse die voor het eerst in vijftien jaar terug kon keren naar het eiland. Op de begrafenis van haar moeder, een paar maanden geleden, heeft ze verstek moeten laten gaan. Ze beschikt over Amerikaanse dollars. Nu doet ze samen met haar broer, een 57-jarige, arbeidsongeschikte havenwerker, de noodzakelijke boodschappen. Vaatdoekjes uit Brazilië, spijsolie uit Mexico. En het wc-papier? De zus lacht verlegen als haar broer vertelt welke oplossing is gevonden voor dit gebrek. “Ik heb bananenbomen in de voortuin staan. Bananenschillen zijn een prima alternatief: zacht, maar stevig”. Net als in het voormalige Oostblok lijkt het failliet van het socialistische stelsel te liggen in de onmacht om wc-papier te produceren.

Het effect van de dollarisering is vooral de tweedeling geweest van de tot dan toe in naam egalitaire Cubaanse samenleving. Voor hen die werken in de steeds verder uitdijende toeristenindustrie, voor de talrijke jonge prostituées en voor Cubanen die kunnen rekenen op geld van familie in de Verenigde Staten, is het dagelijks leven op het eiland nog wel vol te houden. Dollars bieden hen de mogelijkheid het magere rantsoen primaire levensbehoeften, waar elke Cubaan met bonboekjes recht op heeft, aan te vullen.

Waterscooter

Zo hoeft de familie van Jorge, een 22-jarige beach boy van Chippendale-achtige proporties, zich voorlopig geen al te grote zorgen te maken. Jorge werkt bij een van de staatsondernemingen die op het strand van de luxe badplaats Varadero speeltjes verhuren aan de westerse toerist die even iets anders wil dan zwemmen in het warme, blauwgroene water van de Caraïbische zee of zich te pletter vervelen op het ragfijne zand voor de vijfsterren hotels. Met zijn baan als bestuurder van een waterscooter, waarachter een opblaasbanaan met toeristen à raison van vijf dollar tien minuten wordt voortgetrokken, verdient de in Varadero geboren en getogen Jorge tweehonderd pesos per maand. Omgerekend tegen de zwarte-marktkoers is dat iets minder dan twee dollar. Maar Jorge en zijn collega's moeten het vooral hebben van de fooien in harde valuta. Een deel gaat naar het bedrijf, een deel mogen ze zelf houden. Jorge rekent voor dat hij tussen de tachtig en honderd dollar per maand overhoudt. Hij heeft er dan ook helemaal geen behoefte aan om naar Miami te gaan, hoewel, zegt hij lachend, de waterscooter dat wel zou halen. In Varadero is de toeristenindustrie de belangrijkste werkgever. In de familie van Jorge hebben ook zijn zus en een tante toegang tot dollars. Zijn vader, werknemer van het staatselektriciteitsbedrijf, gaat alleen nog voor de vorm naar zijn werk.

Eén van de redenen die de balseros het vaakst noemen voor hun riskante vlucht over zee, is dat zij geen mogelijkheid hebben om aan dollars te komen. “Zonder dollars ben je niks hier”, zegt een 26-jarige buschauffeur op het strand van Cojímar, een havenplaatsje in de buurt van Havana dat in de afgelopen weken een verzamelpunt is geworden voor vertrekkende balseros. Het wrange voor de volgelingen van Castro's revolutie is, dat uitgerekend zij buiten de boot dreigen te vallen. Als echte communisten hebben ze jarenlang niets te maken willen hebben met de zwarte markt en met dollar-sturende familieleden in Miami. Nu heeft Castro de dollar gelegaliseerd en hebben zij daar geen toegang toe. Het regime erkent dit probleem. “Maar we vragen de Cubanen om opofferingen te doen in dit moeilijke uur van de revolutie”, zei vorig jaar Jorge Taladrid, de onderminister van economische zaken, in een gesprek met deze krant. “We zien nu al dat er een omslag komt. Mede dankzij het toerisme krijgen we meer buitenlandse valuta binnen.”

Maar het is te weinig en bovendien te laat. Een jaar later lijken alleen nog de in het nauw gedreven Cubaanse autoriteiten te geloven in een oplossing. De bevolking ziet het allang niet meer zitten. In de benauwde bovenwoning van een gepensioneerde ambtenaar in de wijk Centro Habana dringt het rumoer binnen dat zo typerend is voor de Cubaanse hoofdstad. Flarden radiomuziek, een schrille vrouwenstem, gestommel op de trap van twee meisjes die op toeristenjacht gaan langs de zeekant. Gabo, de ambtenaar, heeft het rantsoen voor de komende veertien dagen op tafel uitgestald. Een klein pak koffie, wat rijst, en een paar broodjes. “Ik moet bijkopen op de zwarte markt, anders haal ik het niet”, vertelt de magere Gabo. “Maar twee pond rijst kost daar 240 pesos. Mijn pensioen is 170 pesos per maand, en dat is nog niet eens één van de slechtste”. De ambtenaar is al jaren geleden van zijn communistische geloof gevallen, toen hij met eigen ogen zag hoe het regime liet inhakken op zijn burgers. Nu wacht hij, net als vele anderen, het einde af van “deze Griekse tragedie”. Gabo: “Het is voorbij. De slang heeft zich in de eigen staart gebeten”.

Volkswoede

Deze zomer deden zich voor het tweede, achtereenvolgende jaar rellen voor op de brede Malecón-boulevard in Havana. Vorig jaar juli leidden langdurige periodes zonder stroom tot het uitvallen van de ventilatoren tijdens de lange, hete avonden. Ook de tv viel uit en dus konden de Braziliaanse soaps niet gevolgd worden. Duizenden Havanezen zochten toen verkoeling en vertier langs de Malecón. De samenscholingen ontaardden een paar avonden lang in relletjes, vechtpartijen met de politie, plundering van dollarwinkels en het ingooien van ruiten bij staatskantoren. Op 5 augustus van dit jaar vormde een mislukte poging tot het kapen van een veerpont het begin van de ernstigste onlusten sinds de revolutie in 1959. Honderden jongeren vochten een veldslag uit met de politie, maar vooral met de in alle haast opgetrommelde 'Arbeidersbrigades'. Volgens dissidente kringen in Havana zijn dat “enkele duizenden eenvoudige bouwvakkers” uit de arme oostelijke provincie Oriente die aan de rand van Havana in legerbarakken zijn ondergebracht. Daar krijgen ze meer dan de voor Cubanen gebruikelijke porties te eten. In ruil daarvoor worden ze bij tijd en wijle ingezet ter uiting van 'spontane' volkswoede tegen dissidenten of tegen opstandjes zoals op 5 augustus. “Het zijn gewoon beesten”, zegt een dissident vol verachting.

Deze zogenoemde Brigades van Snelle Actie worden gevreesd onder de Cubaanse bevolking. Ook de naam van het hoofdkwartier van de geheime dienst, Villa Marista, doet velen nog huiveren. Toch lijken de mensen steeds minder bang te zijn voor de eventuele consequenties van 'anti-revolutionaire' activiteiten. De repressie in Cuba is er niet zozeer een van politie en leger, als wel van onderlinge controle door de burgers zelf. Elk dorp, elke straat, elk huizenblok kent zijn eigen Comité voor de Verdediging van de Revolutie (CDR). De CDR's hebben tot taak elkaar en niet-leden in de gaten te houden.

Wie heeft de Miami-zender Radio Martí aanstaan? Wie krijgt bezoek van buitenlanders? Wie blijft in z'n nest liggen als er is opgeroepen tot een grootscheepse manifestatie op het Plein van de Revolutie? Klikken door het CDR leidde in het verleden vaak tot het verlies van een deel van het loon, van rantsoenen of zelfs van werk. Maar in toenemende mate zijn de rantsoenen sowieso onvoldoende en verliezen duizenden Cubanen (ook leden van de CDR's) hun baan toch. Regelmatig moeten er fabrieken sluiten wegens gebrek aan ruwe grondstoffen, transportmogelijkheden of brandstof. De failliete fabrieken worden nu als 'Opportunities in Cuba' in het buitenland aan de man gebracht - buitenkansjes voor joint ventures met de Cubaanse overheid.

IJsjes

Een recent van kracht geworden wet op de werkloosheid (tot voor kort een onbekend fenomeen in Cuba) geeft disponibles, beschikbaren zoals de werklozen worden genoemd, niet langer het recht drie maal een aangeboden betrekking te weigeren voordat het staatsloon wordt ingehouden. Nu mag nog maar één maal worden geweigerd en daarna wordt de 'beschikbare' verplicht in de landbouw ingezet tegen een loon dat maximaal tachtig procent bedraagt van het laatst genoten inkomen.

Landbouw is in de Cubaanse monocultuur vooral de oogst van suikkerriet, samen met het toerisme de belangrijkste bron van buitenlandse deviezen. Toch heeft ook deze noodgreep niet kunnen voorkomen dat de opbrengst dit jaar onder de al minimale suikerrietoogst van vorig jaar lag. De regering zal nu toestaan dat kleine boeren een paar loonarbeiders in dienst nemen. Tot iedere prijs moet voorkomen worden dat in Havana en Santiago de Cuba een verder tekort aan eten leidt tot de definitieve opstand der ontevredenen.

Eigenlijk weten de Cubanen zelf niet goed wat ze met de toestand aan moeten. De dollar-Cubanen, zoals beach boy Jorge en zijn familie, kunnen het nog wel even uitzingen. Anderen, zoals de buschauffeur Alejandro die ondanks het verbod zelfs zijn kinderen meeneemt op het vlot, verkiezen de uiterst gevaarlijke zeereis en een mogelijk lang verblijf in Guantánamo Bay boven de dagelijkse misère in Cuba. Voor de achterblijvers draait intussen in de bioscoop tegenover het Coppelia-park (waar de beste ijsjes van Havana worden verkocht, wachttijd gemiddeld 2,5 uur) de Amerikaans-Italiaanse B-film La noche de tiburones, de nacht van de haaien.

De rest kankert, klaagt en tracht zich te drukken in een systeem dat in de ogen van de meeste Cubanen al volledig failliet is. “Ik begrijp de psychologie van de Cubanen niet”, zegt de oudere Cubaanse dissident. “De mensen hebben wel de moed om als bootvluchteling weg te gaan, maar ze durven geen 'nee' te zeggen als ze worden gevraagd voor een Brigade van Snelle Actie”.

En dan is er het trieste gevoel over het verlies van de mooie dingen die de Cubaanse revolutie heeft gebracht: de gratis gezondheidszorg voor allen, het onderwijs, het lang vervlogen gevoel één trotse, multiraciale natie te zijn. Het is een triestheid die zich maar bij weinigen uit in boosheid op de man die het allemaal heeft opgebouwd en nu weer afbreekt. De naam van Fidel Castro wordt zelden hardop uitgesproken. De Cubanen hebben het over El Señor en maken er een gebaar bij onder hun kin waarmee ze de baard van de Cubaanse leider aangeven. “Cuba is Castro”, zegt een schrijver. “Castro is Cuba. De ondergang van Cuba is zijn eigen ondergang en daar zal hij zich tot het laatst toe tegen verzetten.”