Niets beters dan deze liefde

Een gebergte in de Nederlandse literatuur is het oeuvre van S. Vestdijk wel genoemd. Van zijn tweeënvijftig romans horen er heel wat tot de pieken in dat gebergte. H.Br. Corstius en Maarten 't Hart herlezen er ieder zesentwintig en doen om beurten verslag van hun ervaring. Vandaag: Terug tot Ina Damman (1934)

Een jongen gaat naar de Middelbare School. Zijn vader - inmiddels overleden - noemde hem: 'vent'. Daar komen de klasgenoten achter en ze pesten Anton het hele jaar met dat woord vent. Anton keert daardoor geheel in zichzelf. Aan zijn moeder heeft hij ook niets.

Het volgende schooljaar gebeurt hem iets wat nog veel erger is. Hij wordt verliefd op Ina. Zij stemt er in toe met hem 'te gaan'. Hij draagt haar tas naar het station. Meer dan stille devotie kan hij haar niet geven. Hij vindt zichzelf ook niet goed genoeg voor haar.

Even lijkt het beter te gaan, met avondwandeling en kermisbezoek, maar dan gebeurt het. Ina heeft tegen haar vriendinnen gezegd dat ze van Anton af wil. Dit bericht bereikt hem. Hij vraagt haar of het waar is. Het is waar. 'Dan zal ik je niet langer lastig vallen', zegt de jongen.

Hij werpt zich op eenvoudiger genoegens en verliefdheden. Maar dan komen de twee voorzetsels uit de titel tot volle kracht: Hij keert terug tot zijn echte, eeuwige, liefde. Hij keert niet terug naar Ina, want zij is immers onbereikbaar, maar tot Ina.

Hij ziet in, en de lezer met hem, dat het hier niet om de zogenaamde kalverliefde gaat, maar om de essentie van zijn leven. Hij blijft in zijn liefde geloven.

Menno ter Braak heeft Ina een 'onnozel nest' genoemd. Hoe weet hij dat? Over het innerlijk van Ina krijgen wij niets te horen. Hoe kan zij onnozel zijn als ze Anton zijn hele leven blijft inspireren? Met deze opmerking toont Ter Braak, wat we natuurlijk uit zijn roman al weten, dat hij niets van de liefde begrijpt.

Terug tot Ina Damman is zestig jaar oud en nog steeds springlevend. Geen bladzijde of er staat een zin waar de lol in het schrijven van af schittert. Neem de alinea die de inleidende beschrijving van de school afsluit:

Nog iets: in al die lokalen waarden de geesten rond van honderden en honderden Lahringer jongens: dom, gemeen, geniepig, wreed. Tot in de inktpotten zaten ze.

Het is jammer dat er geen inktpotten meer in de schoolbanken zitten, maar die zin zal over zestig jaar nog genoten kunnen worden. We maken ook kennis met de uit de hand lopende zin, waar een eenvoudige veronderstelling ontaardt in regelrechte kolder.

Er zijn veel Nederlandse boeken over jongens van Antons leeftijd. Maar op Woutertje Pietersen, Jaapje van Looy, Kees de Jongen en Werther Nieland na, worden ze altijd vanuit de volwassen blik enigszins meewarig beschreven. Bartje zal later wel een verstandig man worden, kan de lezer hopen. Vestdijk maakt duidelijk dat Anton Wachter, ook al leeft hij temidden van een exotische stam, al helemaal af is.

De lezer blijft met twee nieuwsgierigheden achter: Hoe zal het Anton verder vergaan? Het antwoord ligt in de zeven romans die over Antons leven verhalen. En: Hoe zal het de schrijver Vestdijk verder vergaan? Het antwoord ligt in de vijftig romans die het komende jaar op deze pagina de revue zullen passeren.

Het is verleidelijk om Ina te zien als de muze waar de hoofdpersoon-schrijver zijn leven aan gaat wijden. Maar alle symboliek verbleekt bij het drama van de schooljongen, dat werkelijk niet minder is dan het drama van Antigone, mevrouw Bovary of Humbert Humbert.

Helaas is er een kwart eeuw, onder aanvoering van gekken besteed aan het opsporen van de autobiografische elementen in de Anton-Wachterromans. Elke steen in Harlingen heeft zijn eigen inscriptie. Natuurlijk zou het uiterst raar zijn wanneer aan de basis van een meesterwerk geen echte ervaringen ten grondslag liggen. Maar ik wil geen zestigjarige Jelle Mol onzinpraatjes horen vertellen over zijn schooljaren met Simon Vestdijk. Die herinneringen blijken trouwens allemaal afgeleid uit Terug tot Ina Damman zelf. Je zou hem eerder een mes in zijn lijf willen stoten omdat hij niets deed tegen het vent roepen. Maar wij zijn allemaal Jelle Mols en Ina Dammans, figuranten in het leven van de enige persoon waar het echt om gaat.

Het is mode te zeggen dat 'Vestdijk niet meer te lezen is'. Ondertussen wordt hij in 1994 honderdmaal zoveel gelezen als in 1934. Maar dat gebeurt door middelbare scholieren. De middelbare school is het graf van onze literatuur. Uit Ina Damman blijkt dat de middelbare school ook de wieg is van Vestdijks romanproduktie. Later hebben Gerard Kornelis van het Reve, Herman Koch en Arnon Grunberg dat ook begrepen. Zij tonen ons de desolate eenzaamheid van de middelbare scholier. Anton Wachter is minstens zo eenzaam. Maar hij noemt het meisje dat hem niet wil, niet 'een onnozel nest', en hij begrijpt dat zijn liefde voor haar het beste is wat hij bezit.

In latere boeken van Vestdijk komen meisjes voor - Trix! - en zelfs dames - juffrouw Lot! - waar de lezer ook verliefd op kan worden. Dat gebeurt met Ina Damman niet. Die blijft de Fancy van Anton, wiens achternaam Wachter de menselijke conditie precies weergeeft.