Middeleeuwen als western

Norman F. Cantor: The Civilization of the Middle Ages. A completely Revised and Expanded Edition of Medieval History, the Life and Death of a Civilization 604 blz., Harper Collins, (1963, 1968, 1974) 1993, ƒ 78,75

De Italiaanse humanisten, die in de veertiende en vijftiende eeuw de term 'middeleeuwen' muntten, zouden zeker ontkennen dat de eeuwen tussen hen en de Oudheid enigerlei beschaving bezaten. Domweg een intermezzo, dat was de hele betekenis. Die minachting, lange eeuwen bon ton onder liefhebbers van de schone kunsten, is met het aanbreken van de romantiek verdwenen onder geschiedschrijvers en geschiedslezers. En sinds de verschijning van Montaillou van Le Roy Ladurie twintig jaar geleden bestaat er een middeleeuwen-hausse; wat niet betekent dat iedereen beseft waar hij eigenlijk mee wegloopt.

Ook Norman F. Cantor weet niet precies de vinger te leggen op wat nou die middeleeuwse beschaving inhield. Bij aanvang van het boek heeft hij het over 'de absorptie door West-Europa van een levenswijze die zich eerder alleen tot de Mediterrane wereld beperkte', de antieke dus. Halverwege lijkt hij een voorbeeldig model te hebben gevonden in het Ottoonse Rijk, vol 'Geist und Macht', maar aan het einde van zijn verhaal ziet hij weer meer heil in wat een groot publiek als pars pro toto van de middeleeuwen beschouwt, de hoogtij van gothiek en scholastiek. Zo verschuift dus zijn ijkpunt naarmate de geschiedenis zich ontvouwt, een optisch bedrog waar de geboeide lezer makkelijk in meegaat.

Cantor maakt zich in het algemeen niet erg druk over academische kwesties als terminologie en periodisering: de teller begint te lopen bij de eerste christelijke keizer Constantijn in de vierde eeuw, en komt tot stilstand omstreeks 1500, als de reformatie om de hoek staat te wachten. Zo waant hij zich, met goed recht, aan de veilige kant in een handboek.

Met goed politiek recht, want daar ligt Cantors belangstelling, en hij heeft er een hand van parallellen te trekken tussen Augustinus' schets van de Stad Gods, het Byzantijnse hof, het Karolingische koningschap, de monastieke idealen van Cluny, de hoofse bureaucratie van Lodewijk de Heilige, het thomisme en de Italiaanse stadstaat. Maar alle aanwijsbaar streven naar een 'vreedzame gemeenschap en verheven cultuur' ten spijt, ontkomt de lezer niet aan de indruk dat er evenveel middelpuntvliedende als -zoekende krachten in die twaalfhonderd jaar werkzaam waren. Zowel in de vroege als in de hoge middeleeuwen bestond er een felle anti-hiërarchische stroming aan de rand van de katholieke kerk, en de opkomst van een zelfzuchtig feodalisme in de tiende eeuw bespoedigde evenmin een beschaafde omgang. Juist de ordeverstoorders van het theocratisch weefsel moeten het in het betoog van Cantor nog wel eens ontgelden.

Oorvijgen

Uit het voorwoord kan men ook opmaken dat het in eerdere drukken van zijn boek matig gesteld was met Cantors interesse in tegendraadse historische ontwikkelingen. Het recente succes van monografieën over zaken als hekserij en ketterij heeft hem waarschijnlijk gedwongen zijn kanonieke vizier wat bij te stellen. Die geforceerde belangstelling leidt niet alleen tot zulke klinkende oorvijgen als die aan het adres van hoererende en ketterende vorsten, maar ook tot malle uitspraken over de Rijnlandse mystica's uit de twaalfde eeuw. Van de abdis en zieneres Hildegard von Bingen, auteur van verschillende mystieke en geneeskundige werken, en steun en toeverlaat van paus en vorst, schrijft Cantor dat zij 'confined en frustrated, both in a disciplinary and sexual sense' was. Dat is een krasse uitspraak over iemand die met beide benen óók in deze wereld stond. Het ongeloof in het vermogen van vrouwen om hun levenstaken langs beschouwelijke weg te sublimeren deelt hij met conservatieve psycho-analytici en met bepaalde feministische historici die in de mystieke verbeelding voornamelijk masochistische verlustiging zien.

Cantors kracht, dat moge duidelijk zijn, ligt niet in de fijne penseelstreek. Anders dan zijn leermeester de Oxfordse mediëvist Robert Southern, en dan zijn Franse rivaal Georges Duby, bezit hij geen bijzondere evocerende pen die de lezer moeiteloos het ridderepos of de gothische kathedraal binnenvoert. Dat laat zich makkelijk vaststellen omdat enkele illustratieve geschiedenissen die Cantor opdist onmiddellijk aan Southern's The making of the Middle Ages uit 1953 zijn ontleend. Op zijn best is hij daarentegen bij de uitleg van de machtsstrijd tussen paus en keizer, en tussen koning en adel, en als hij de listige wijzen van belastingheffing ontrafelt waarmee de verschillende partijen hun dure ruzies bekostigden. Zijn machiavellistische neigingen worden echter beteugeld door een hoge opvatting van de rol van het recht. Vandaar dat de stukken over de codificatie en de praktijken van het Romeinse en Germaanse recht een soort enthousiasme vertonen die andere auteurs aan de bespreking van de hoofse poëzie voorbehouden.

De lezer heeft een uitstekende verteller voor zich die, een beetje in de trant van de western, verhaalt hoe West-Europa gewonnen werd op een weerbarstige grond op gevaarlijke indringers als de Vikingen, Magyaren en Arabieren en op de destructieve eigen driften. Het spijt de oude rechter die het verhaal doet dat de handhaving van 'law and order' zo vaak en zo veel onschuldig bloed kostte (de vervolgde joden en ketters zijn de 'goede Indianen'), maar aan het einde van zijn verslag staat er toch maar 'as being a political system, as high-minded and popular a faith as the world has ever seen'. Een geestige toevoeging aan dit verhaal van de Europese 'frontier' vormt de hitlijst van de tien films die het beste beeld van de middeleeuwen te zien geven, met Het zevende zegel nog altijd op de eerste plaats.