Levensbeëindiging (1)

De wens euthanasie toe te passen (Z 20 aug) is niet de reden waarom artsen voor hun beroep hebben gekozen. Integendeel, bij de bestudering van de geneeskunde ontstaat een diepgevoeld respect voor de gecompliceerde mechanismen waarmee het leven zichzelf in stand houdt. Het kost zelfs veel bruut geweld of intensief farmacologisch ingrijpen om dit samenspel te laten derailleren. Hoe zouden artsen geroepen kunnen zijn om te helpen bij een vrijwillige levensbeëindiging? Toch zijn er gelukkig een aantal artsen met werkelijke compassie met het grote lijden van mensen wie niets dan verdere aftakeling wacht, die bidden om morgen niet wakker te worden, als ze nog bidden kunnen. De meesten zien daar de zin niet meer van in. Zij vragen om hulp. Zij vragen niet om lapmiddelen om hun resterende dagen iets minder zwaar te maken, maar om hulp om hun hardnekkig doorgaande levensprocessen, die hun leven tot lijden maken, te beëindigen. Voor zover religieuze overwegingen dit niet beletten is het een zaak van menselijk mededogen om te helpen. Is het humaan om te zeggen dat een medemens met wat maatschappelijke of zelfs therapeutische hulp het best nog wat kan (of moet) uithouden? Wat is de winst? Dat de arts 's nachts slapen kan? In zíjn bestaan is niets gebeurd. We zijn geen arts geworden om het leven te beëindigen. Laten we er dan over praten wie het wél moet doen, wie het beter kan doen, wie de moed wel moet opbrengen voor de moeilijke taak een milde dood op tijd bereikbaar te maken voor allen. Niet alleen voor artsen en apothekers en anderen die voldoende inzicht en doorzettingsvermogen hebben om zich de middelen toch te verschaffen.