IJzige reizen

Richard Vaughan: The Arctic: A History 340 blz., Alan Sutton 1994, ƒ 68,40

John Geiger en Owen Beattie: Dead Silence. The Greatest Mystery in Arctic Discovery 279 blz., Bloomsbury 1993, ƒ 58,80

Beau Riffenburgh: The Myth of the Explorer 226 blz., Belhaven Press/Scott Polar Research Institute 1993, ƒ 122,85

Aan feiten, namen en jaartallen geen gebrek in Richard Vaughans The Arctic: A History, maar aan samenhang des te meer. De historicus Vaughan, die tussen 1983 en 1988 aan het hoofd stond van het Arctisch Centrum aan de Rijksuniversiteit Groningen, heeft de jaren sinds zijn emeritaat in 1989 kennelijk besteed aan het in één kloek boekwerk bij elkaar brengen van al zijn kennis over het Arctisch gebied. Naast die vracht aan namen en jaartallen heeft Vaughan beslist oog voor de sprekende details waar de Arctische geschiedenis zo rijk aan is. Hij vertelt bijvoorbeeld over de ijsbeer die Henry III in de dertiende eeuw in de Londense Tower hield en aan een lang touw in de Thames liet zwemmen. Hij verhult niet dat zelfs poolhelden last hadden van persoonlijke animositeiten. Zo besteedde de Noor Roald Amundsen liefst 95 pagina's van zijn autobiografie (1927) aan een tirade over de Italiaanse luchtschipontwerper Umberto Nobile, mede omdat hij te veel met zijn handen gebaarde terwijl hij bevelen gaf.

Merkwaardig genoeg besteedt Vaughan geen apart hoofdstuk aan de wapenfeiten van de Scandinaviërs in het Arctische gebied, wel aan de Amerikanen, de Russen en de Engelsen. In het hoofdstuk The Arctic Defeats the Royal Navy maakt hij korte metten met de werkwijze van de Engelse marine. Misprijzend constateert hij hoe die gedurende een groot deel van de negentiende eeuw telkens te grote schepen stuurde met te grote bemanningen met de verkeerde kleding en de verkeerde proviand. Hautain legde de marine de expertise van walvisvaarders naast zich neer en weigerde de kunst van het overleven van de Eskimo's af te kijken. Deze mindless gallantry, zoals Vaughan die noemt, heeft Scott op de terugweg van de Zuidpool met de dood moeten bekopen.

Al zijn kennis ten spijt berijdt Vaughan af en toe op een hinderlijke manier zijn stokpaardjes. A bout portant verklaart hij dat Vitus Bering, ontdekker van de engte tussen Alaska en Siberië, 'een derderangs ontdekkingsreiziger was, voorzichtig en besluiteloos en met zo'n gebrek aan moed en daadkracht dat hij amper in staat was zijn instructies uit te voeren'. Hij staat ook vierkant achter Peary's claim, dat hij in 1909 als eerste de Noordpool bereikte. Bibliotheken vol zijn hierover geschreven, maar met een verwijzing naar Peary's 'dogged determination' en zijn vermogen sponsors te enthousiasmeren veegt Vaughan alle twijfels opzij.

Het boek begint en eindigt met de Eskimo's, of Inuit zoals ze zichzelf noemen. Volgens Vaughan staan de Inuit op het punt om, door Europese ideeën over landbezit en zelfbeschikking geïnspireerd, zich het Arctische gebied weer toe te eigenen en zelfbestuur op te eisen. 'Als phoenixen zullen zij herrijzen uit de as van het verleden om datgene wat van oudsher van hen is, terug te nemen.' Zijn optimisme is mooi, maar het had wel wat meer onderbouwing verdiend.

Ruggewervel

Vaughan besteedt drie regels aan de achttiende-eeuwse Amerikaanse avonturier en poolreiziger James Knight, maar de Amerikaan John Geiger en Canadees Owen Beattie hebben er een heel boek over geschreven: Dead Silence: The Greatest Mystery in Arctic Discovery. Bij een breed publiek kregen zij bekendheid met het boek Frozen in Time (1987). Daarin doen ze verslag van een spectaculair, maar nog omstreden onderzoek naar de resten van drie matrozen die midden vorige eeuw in het Arctisch gebied omkwamen. Hun conclusie: vergiftiging door lood in de ingeblikte proviand.

Op zoek naar een volgend project stuitte het duo op de in vergetelheid geraakte reis van Knight. Hij was geen ontdekkingsreiziger, wel bracht hij een groot deel van zijn leven door in arctisch gebied als handelaar en later gouverneur in dienst van de Hudson Bay Company. Hij was al in de zeventig toen hij in 1719 de Company ertoe wist te bewegen hem met twee schepen naar de veronderstelde goudmijnen in het hoge noorden te sturen. Samen met zijn veertig bemanningsleden vond Knight jammerlijk de dood op Marble Island, in de Hudson-baai boven Canada. Gedurende vier zomers graven en duiken - de schepen zonken vlak voor de kust - vonden Geiger en Beattie zo'n vijfduizend voorwerpen, variërend van pijpestelen en leren schoenen tot en met een passer, een houten schaakpion en een menselijke ruggewervel. Ook raadpleegden ze contemporaine geschreven bronnen, maar uiteindelijk blijft het raadsel onopgelost.

Ging van Frozen in Time al een zekere sensatie uit, in dit boek is dat nog veel sterker. Het lijkt erop dat de uitgever de verkoopcijfers heeft willen opkrikken met flink wat griezel en doem. Of misschien voelden de auteurs zich genoodzaakt een jongensboekachtige sfeer van onheil op te trekken rond hun teleurstellende resultaten. Uiteindelijk doen ze zichzelf te kort: ook al hebben ze niet het laatste woord kunnen spreken over de lotgevallen van de curieuze figuur James Knight, het verhaal van hun speurtocht is al boeiend genoeg.

Ontberingen

In The Myth of the Explorer onderzoekt de Amerikaan Beau Riffenburgh, medewerker van het Scott Polar Research Institute in het Engelse Cambridge en hoofdredacteur van het tijdschrift Polar Record, een heel ander aspect van het poolreizen. Aan de hand van contemporaine krantenverslagen beschrijft hij de symbiose die midden vorige eeuw ontstond tussen de ontdekkingsreiziger en de populaire kranten.

Ze hadden elkaar nodig: de explorer om aan bekendheid en dus financiering te komen, de kranten om lezers te werven met spannende verhalen. Zo groeiden de reizigers uit tot helden van mythische proporties. Alle ingrediënten waren voorhanden: een exotische omgeving (Afrika en de polen), de personages waren bigger than life en ondergingen de tot de verbeelding sprekende ontberingen, soms, zoals in het geval van de nationale held Scott, tot de dood erop volgde. Niet alleen het grote publiek raakte in de ban van poolexpedities, ook schrijvers als Dickens (The Frozen Deep) en Jules Verne (The English at the North Pole) putten er inspiratie uit.

Bij de pers liep één man voorop: de Amerikaan James Gorden Bennett junior, oprichter in 1835 van de New York Herald. Hij was ervan overtuigd dat zijn lezers, net als hijzelf, dol waren op verhalen over de heroïsche strijd van de mens om de heerschappij over de natuur, een typisch negentiende-eeuws thema. Als eerste organiseerde hij zelf expedities: in 1869 stuurde hij Stanley erop uit om in het hart van Afrika Livingstone te vinden. Prompt kreeg Stanley de status van held. Tien jaar later probeerde Bennett nog een serie spannende poolreportages te veroorzaken door het schip de Jeannette er op uit te sturen, maar het werd een tragedie. Bijna alle deelnemers overleden, onder wie een Herald-verslaggever; diens opvolger veroorzaakte een schandaal door lijken op te graven op zoek naar brieven met nieuws over de teloorgang van de expeditie.

Het lag voor de hand dat de minder scrupuleuzen onder de avonturiers de kans zouden grijpen om in de krant hun eigen - moeilijk controleerbare - wapenfeiten voordelig uiteen te zetten. Riffenburgh haalt het voorbeeld aan van Hugh Lowther, vijfde Earl van Londale, die in 1888 uit Engeland vertrok naar het Canadese arctische gebied. Deze fantast verklaarde bij vertrek onder andere dat hij monsters ging verzamelen voor de (niet bestaande) Scottisch Naturalist Society, op ijsberen ging jagen en de Noordpool ging veroveren; bij terugkeer beweerde hij zowel een stam reuze-Eskimo's te hebben ontdekt als een goudmijn. Misschien had Lowther onthouden wat Stanley had gezegd: dat het een vergissing was om als journalist nauwgezet de feiten op te tekenen. Het publiek wilde de waarheid helemaal niet, meende Stanley, het wilde actie en avontuur. Hij kreeg nog gelijk ook: op het moment dat beide polen bereikt waren verflauwde al snel de publieke belangstelling voor (Ant)arctische ontdekkingsreizen.