Heimwee naar harem; Prinses Sayyida Salme (1844-1924)

Sayyida Salme en Emily Ruete: An Arabian Princess between Two Worlds. Syrian Customs and Usages 549 blz., geïll., E.J. Brill 1993, redactie en inleiding E. van Donzel, ƒ 265,-

Op de van haar bewaarde foto's - of het nu die van een jeugdige vrouw in oosterse kledij of een oudere in stijve Duitse jurk zijn - kijkt Salme bint Sa'id ibn Sultan, alias Sayyida Salme alias Emily Ruete (1844-1924) ons aan met een ironische blik die intelligentie suggereert. Een prinsesje was zij, opgegroeid in de harems van de sultan van Zanzibar, dat door een liefdesaffaire in Duitsland belandde, en de rest van haar leven met grote inventiviteit en vruchteloos geprobeerd heeft haar rechten in Zanzibar te doen gelden. Jammer dat haar mémoires, thans samen met de nog onuitgegeven geschriften in Engelse vertaling verschenen, gezien de prijs slechts een zeer bescheiden lezerskring zullen vinden.

In 1844 is Sayyida geboren, als dochter van een Circassische concubine en de sultan van Zanzibar. In een paleisrevolutie na de dood van haar vader in 1856 kiest ze de verliezende zijde in een paleisrevolutie van haar broer Barghash tegen de opvolger, haar broer Majid. Een nummertje Britse gunboat-diplomacy maakt een einde aan deze opstand - onderdeel van het proces waarbij de Europese grootmachten in onderlinge concurrentie de macht van de lokale heersers geleidelijk uithollen.

Sayyida weet zich met haar broer Majid te verzoenen door de plantage waarop ze woont af te staan aan de Engelse consul, die er zijn zomerverblijf van wil maken. Maar vervolgens raakt ze bevriend - en erger - met een Duitse handelsvertegenwoordiger die het huis naast haar bewoont. Het moet gezegd dat de mémoires ons wat deze episode betreft drastisch in de steek laten. Ze vertelt dat Rudolph Heinrich Ruete, vertegenwoordiger van het huis Hansing en Co., wiens platte dak zij uit haar getraliede venster kon waarnemen, feestjes organiseerde om haar te laten zien hoe een Europees partijtje in zijn werk ging. Complimenten van Europeanen aan inheemse dames, meldt zij met tot achterdocht stemmende nadruk, waren alleszins gebruikelijk en getolereerd.

Broer Majid ziet dat kennelijk anders, want hij beraamt plannen om zijn zusje uit de weg te ruimen. Met medewerking van de Britse consul slaagt zij erin naar Aden te ontkomen. Ruete krijgt van de sultan rustig de tijd zijn zaakjes af te wikkelen en voegt zich begin 1867 bij zijn geliefde in Aden, net te laat om de geboorte van haar (en, mogen we hopen, ook zijn) kort daarna gestorven kind bij te wonen. Sayyida wordt christelijk gedoopt, het huwelijk wordt voltrokken, het paar scheept zich in, en een weken later vestigen de heer en mevrouw Ruete zich in Hamburg.

De mooiste delen uit de geschriften van Sayyida, nu Emily Ruete, zijn ongetwijfeld die waarin zij haar cultuur-schok beschrijft, haar gevoel van verlatenheid - ondanks haar liefde voor de echtgenoot en de drie kinderen die zij baart. Het is overduidelijk dat zij zich in Hamburg, ook al door het taalprobleem (de echtelieden spraken samen swahili), door de koude buiten en de knellende conventies van het burgerlijke leven meer opgesloten voelt dan ooit in de harems van Zanzibar. Haar echtgenoot overlijdt in 1870 aan de gevolgen van een verkeersongeluk. Emily schrijft aan Majid met het verzoek naar Zanzibar te mogen terugkeren, maar de sultan sterft voordat hij de brief heeft kunnen lezen.

Zijn opvolger is Barghash, dezelfde die Emily door haar verzoening met Majid tegen zich in het harnas heeft gejaagd. Tevergeefs poogt de Duitse consul in Zanzibar iets voor haar te bereiken. In Barghash' ogen had Emily zich door haar overgang naar het christendom volledig gediskwalificeerd, met name ook als potentiële erfgenaam. Emily's verdere leven zal worden gedomineerd door pogingen haar erfrechten te doen gelden.

De Duitse taal inmiddels enigszins meester, lobbiet ze actief in betere kringen die wel gecharmeerd zijn van zo'n oosters prinsesje dat naar het christendom is overgegaan. Vooral bij de koninklijke families van Duitsland en Groot-Brittannië lijkt ze daarbij succes te hebben, daarmee de regeringen in deze landen soms lichtelijk in verlegenheid brengend. Als sultan Bargash in 1875 in Londen op staatsbezoek komt, reist Emily eveneens af naar de Britse hoofdstad, om haar broer te ontmoeten en tot andere gedachten te brengen. Een Britse regeringsfunctionaris verhindert evenwel een diplomatiek incident.

Uit een brief van Emily aan Bargash uit 1883 komt naar voren hoezeer zij inmiddels heeft begrepen dat de Brits-Duitse rivaliteit in Oost-Afrika mogelijkheden biedt. Ze doet het voorkomen alsof zij, inmiddels aardig bekend met de zeden en gebruiken der Europeanen, hem in Londen heeft willen waarschuwen tegen de bedoelingen van de Britten, die erop uit zouden zijn in Zanzibar de macht over te nemen. De Duitse regering speelt inmiddels met de gedachte op Zanzibar, teneinde de Britse invloed daar te breken, een Duits-Zanzibarese dynastie te vestigen en van Emily's zoon Saïd de nieuwe sultan te maken. In 1885 reist Emily, onder strenge geheimhouding, met kinderen en onder bescherming van een Duits eskader naar Zanzibar.

De onderneming is een groot succes voor de Duitse regering, die Bargash ziet instemmen met bepaalde Duitse territoriale rechten op het eiland. Emily loopt er vruchteloos rond, naar eigen zeggen warm onthaald door de plaatselijke bevolking, maar niet succesvol in haar pogingen tot een confrontatie met haar broer te geraken, bijvoorbeeld tijdens het dagelijks spelen van het volkslied op het plein voor diens paleis. Bargash weet zich nog net op tijd van het balkon terug te trekken, voordat zusje om de hoek verschijnt. De Duitse consul-generaal wil de sultan verder gezichtsverlies besparen en sommeert Emily het eiland te verlaten. Haar mening over de Duitse diplomatie is van dit moment af niet positiever dan die over de Britse.

Nog eenmaal heeft Emily, ditmaal geheel op eigen kracht, Zanzibar bezocht om haar rechten te doen gelden. De familie blijft echter eisen dat zij het christendom de rug toekeert, waarop Sayyida het verder voor gezien houdt en zich voor jaren vestigt in Palestina. Pas in 1914, net voor het begin van de Eerste wereldoorlog, keert ze naar Duitsland terug. In 1923, een jaar voor haar dood, accepteert ze, vermoedelijk uit pure noodzaak tijdens de economische crisis, een klein staatspensioen uit Zanzibar, dat dan niet meer is dan een Italiaans protectoraat.

Uit Sayyida's levensloop komen haar trots en eigenzinnigheid naar voren. Spannend in haar, in het Snouck Hurgronje-huis in Leiden bewaarde manuscripten is vooral de manier waarop zij de maatschappij van de Oriënt (in casu Zanzibar) in bescherming neemt tegen Westerse kritiek. Sentimentele kritiek op de slavernij, meent ze bijvoorbeeld, is volstrekt belachelijk in het licht van de in Duitsland bestaande dienstplicht. Het vooroordeel dat oosterlingen lui zijn, laat zich eenvoudig verklaren door het feit dat je in landen met een warm klimaat minder hoeft te werken omdat je minder nodig hebt. “Noorderlingen moeten werken, maar men moet deze noodzaak niet al te zeer als een deugd willen voorstellen”. En dan het heikele vraagstuk van de harem, de opgeslotenheid van vrouwen en de veelwijverij. “Ik heb in Duitsland voldoende ongelukkige huwelijken gezien om niet te geloven dat het christelijk huwelijk boven het islamitische staat, in die zin dat het mensen gelukkiger maakt. (..) De oriëntaalse vrouw kent het aantal, de persoon en het karakter van haar rivalen, waar de Westerse vrouw van dat alles liefdevol onkundig wordt gelaten”. Het is vooral de onvrijheid die haar in Duitsland ergert en verbaast - van de barbaarse gewoonte kinderen elke dag urenlang in schoollokalen op te sluiten tot het principiële wantrouwen waarmee de vreemdeling, vooral in de Duitse provincie wordt benaderd, ook al heeft hij nog niets slechts gedaan.

Sayyida heeft Europa als schijnheilig en harteloos ervaren. Des te bewonderenswaardiger haar hardnekkige pogingen die wereld naar haar hand te zetten. Ze deed dit, naar zij nadrukkelijk zegt, terwille van haar kinderen die Europeanen waren, die geld voor hun opvoeding nodig hadden en die zij niet aan een terugkeer naar de Oost zonder sociale perspectieven wilde wagen. Maar er was meer, dat proef je in de mémoires: het lag in haar aard zich niet neer te leggen bij de stand der dingen. Eens een prinses, altijd een prinses.