Een grootmeester naar het leven

Alexander Münninghoff: Hein Donner 1927-1988. Een biografische schets. Met medewerking van Maarten de Zeeuw 184 blz., Scheffers Utrecht 1994, ƒ 29,90

Bij het Donner Herdenkingstoernooi moesten ook de buitenlandse schakers hun herinneringen aan Donner vertellen. Smislov had een mooie. Hij zei: “Donner had een geheel eigen manier van denken. Zo zag ik in Venetië dat hij in het hotel een verkeerde deur opendeed en recht in het water stapte.“ Dat moet in 1950 geweest zijn. Donner kwam naar Venetië uit Dubrovnik, waar de Schaakolympiade gespeeld was, en biograaf Alexander Münninghoff meldt dat Donner onderweg in de trein al van zijn bagage en een groot deel van zijn kleren beroofd was.

Zulke herinneringen winnen met de jaren aan glans en die van Smislov heeft bijna 45 jaar kunnen rijpen tot een echte klassieke Donner-anekdote. Zo zien wij Hein Donner: als iemand die de lachlust opwekte, soms omdat hij erg geestig kon zijn, vaak gewoon omdat hij Hein was. Het was, tenminste zo vertelde Donner het, jarenlang de vaste rolverdeling als hij met Harry Mulisch op stap was. Donner beledigde de mensen die hen lastig vielen. Daar moesten die mensen alleen maar om lachen. Vervolgens vroeg Mulisch beleefd of ze misschien met rust gelaten konden worden, en die kreeg dan meteen een dreun in zijn gezicht, want Mulisch was nu eenmaal de man die agressie opwekte.

In deze krant werd vorige week weer eens de foto afgedrukt waarop je Donner en Mulisch bij het Amerikaanse consulaat ziet demonstreren tegen de oorlog in Vietnam. Een waardige zaak, oprechte verontwaardiging, niets om te lachen, maar toch kwamen mijnheer Beer en mijnheer Vos met die borden om hun lijf me weer onweerstaanbaar geestig voor. Volgens Münninghoff was er een tijd dat Donner voor de spiegel een pokerface oefende, omdat hij dacht dat hij erg goed in dat spel zou zijn. De biografie bevat een foto-deel, maar bij die oefeningen zijn kennelijk geen opnames gemaakt. Jammer. Een pokerface van Donner, dat moet er ongeveer uitgezien hebben als het gezicht van Oliver Hardy als hij van een ladder valt.

Eén vinger

Johannes Hendrikus Donner werd in 1927 in Den Haag geboren in een vooraanstaand anti-revolutionair gezin waarin de trits God, Donner en Oranje een vanzelfsprekende eenheid was. Na de oorlog kwam hij naar Amsterdam, zogenaamd om te studeren, in feite om te schaken. Hij was van het eind van de jaren vijftig tot omstreeks 1970 de beste schaker van Nederland. In 1983 werd hij na een beroerte zwaar invalide. Hij kon niet meer schaken, maar de columns die hij halfblind en met één vinger typend in NRC Handelsblad publiceerde, hadden veel succes. In 1988 stierf hij na een maagbloeding.

Dat hij goed schaakte en goed schreef kan niet de enige reden zijn dat er nu een Donner-toernooi en een Donner-biografie is en dat hij in de herinnering van zijn Nederlandse collega's zo'n belangrijke plaats inneemt. Hij was ook een publieke figuur, een Bekende Nederlander die het volk uitlegde hoe het over de wereld moest denken, die op de televisie verscheen om een gewonnen prijs aan de Vietcong te schenken en zo de roem oogstte de eerste te zijn die na een televisie-optreden binnen een uur door zijn werkgever (Elsevier) publiekelijk ontslagen werd. Ook in zijn persoonlijke contacten was hij vaak iemand die een beetje speelde dat hij Hein Donner was, altijd orerend en soms, maar niet zo vaak als het nu de schijn heeft, beledigend en brallend. Niet iedereen kon om hem lachen. Nog toen hij uit zijn verpleeghuis zijn columns stuurde, lieten boze briefschrijvers in de krant weten dat de verpleegsters deze onuitstaanbare invalide maar aan zijn lot moesten overlaten, en deze week fulmineert columnist J.A.A. van Doorn in de Haagse Post zeer fel tegen Donner, die ongeveer twintig jaar geleden in een televisiedebat slecht voor de dag zou zijn gekomen.

Alexander Münninghoff interviewde voor zijn boek - dat hij nadrukkelijk en terecht een biografische schets noemt en geen biografie - ongeveer dertig mensen die Donner goed hebben gekend. Je kan je voorstellen dat ze stuk voor stuk, terwijl ze smakelijk hun anekdotes en herinneringen ophaalden, er liefdevol op wezen dat Hein natuurlijk eigenlijk onuitstaanbaar was. Misschien heeft Münninghoff dat te goed in zijn oren geknoopt. Ik vind hem wel erg streng tegen Donner. Hij schrijft de verhalen met vaart en elegantie op, kopieert niet alleen de geestigheden van Donner, maar is zelf af en toe ook erg geestig.

Knap is het ook dat Münninghoff niet van anekdote naar anekdote hinkelt, maar ze ondergeschikt weet te maken aan een vloeiend verhaal en ze ook weg durft te laten waar een mindere schrijver de verleiding niet had kunnen weerstaan nog zo'n typisch Hein-verhaal op te dissen. Er staat veel in het boek dat ik nog niet wist, voornamelijk uit Donners jonge jaren, maar ook uit de tijd dat ik hem zelf kende. Het komt goed uit dat Münninghoff juist die jonge jaren het meest uitvoerig belicht. Ongeveer als hij in 1968 is aangekomen, lijkt hij zijn belangstelling een beetje te verliezen.

Houding

Waar Münninghoff niet helemaal in geslaagd is, is het vinden van een houding tegenover zijn onderwerp die hem zelf bevredigt. Geen hagiografie en ook geen schotschrift tegen Donner mocht deze biografische schets worden, schrijft hij in zijn Woord vooraf. In de praktijk lijkt hij te oscilleren tussen deze twee standpunten. Hoe sterk bijvoorbeeld was Donner als schaker? “En toch heeft Donner een paar resultaten op zijn naam gebracht waar Euwe niet aan heeft kunnen tippen,“ schrijft Münninghoff, en hij noemt dat een eenvoudig meetbare waarheid. Mij lijkt het bizar, de omgekeerde wereld. Aan de andere kant, als hij probeert te verklaren waarom Donner nooit in de Sovjet-Unie speelde, schetst Münninghoff een beeld van de arme Ruslandganger die door de jonge Sovjetschakers gebakken, gebraden of gepekeld wordt en met anderhalve punt uit vijftien partijen gebroken thuiskomt, zijn carrière voorgoed geknakt. Donner wist dat het zo zou gaan, denkt Münninghoff. Zou dat echt zo onvermijdelijk zijn voor een schaker die successen op zijn naam had waar wereldkampioen Euwe niet aan kon tippen? Ik kan wel een andere reden bedenken waarom veel beroepsschakers de Sovjet-Unie meden. Ze konden er alleen waardeloze roebels winnen en moesten vaak ook nog zelf de reis betalen.

Münninghoff heeft de neiging een streng moreel standpunt tegenover Donner in te nemen. Vaak schrijft hij dat Donner in zijn polemieken de grenzen van het toelaatbare naderde, passeerde of helemaal niet kende en dat hij geen onderscheid wist te maken tussen humor en grofheid. Donner was hem te provocerend en te rebels. Maar aan de andere kant ook weer niet rebels genoeg. Hij krijgt er zelfs de schuld van dat na de oorlog in Europa de vernieuwing niet doorbrak. Toen zijn eerste vrouw het Provo-plan bedacht om alle meisjes op hun veertiende jaar op consultatiebureaus door artsen te laten ontmaagden, vond Donner dat te ver gaan, schrijft Münninghoff enigszins misprijzend. Ja, wie zo'n progressief plan te ver vindt gaan, blijft in zijn hart natuurlijk altijd een burgermannetje.

De elegante formuleringen van Münninghoff ontaarden soms in schijnverklaringen die er mooi uitzien, maar eigenlijk niets betekenen. Tot mijn verbazing las ik: “Het kampioenstoernooi te Zierikzee in 1967 mag als Donners feitelijke afscheid uit de nationale arena gezien worden.“ Münninghoff geeft wel een paar argumenten voor deze merkwaardige uitspraak, maar de echte reden lijkt me te zijn dat zijn deadline in zicht kwam en dat hij wat de laatste twintig jaar van Donners leven betreft, met grote stappen snel thuis moest zijn.

Ik ken lezers die de indruk hadden dat Münninghoff een hekel aan Donner kreeg tijdens het schrijven, maar ik geloof niet dat dat waar is. Wel heeft hij een vreemde relatie met Amsterdam. De veelbereisde journalist Münninghoff is een man van de wereld die zich in Moskou evenzeer thuis voelt als in Koerdistan en Madrid, maar als het om de hoofdstad van ons land gaat, neemt hij de houding aan van een schuchter provinciaaltje dat laatdunkend spreekt over de 'grachtengordel', waar kleffe kliekjes de dienst uitmaken. Wat is dat toch? J.A.A. van Doorn schrijft ook al smalend dat in Amsterdam aan de heiligverklaring van Donner gewerkt wordt. Donners biograaf is een Hagenaar, de uitgever zetelt in Utrecht, het comité dat het Donner-toernooi organiseerde in Leeuwarden, maar het is altijd de grachtengordel die het gedaan heeft.

Omdat het onderwerp me ter harte gaat, heb ik een sterke neiging om met deze biografie van mening te verschillen, maar helemaal eerlijk is dat niet, omdat de kwaliteiten ervan veel belangrijker zijn dan de mogelijkheden tot meningsverschil die het aan de verschillende Donner-kenners laat. Het boek is rijk aan feitenmateriaal, het verhaal is mooi verteld en de door Maarten de Zeeuw verzorgde verzameling van schaakpartijen is leerzaam en vermakelijk.

Er blijven, onvermijdelijk bij een schets, vragen open. Om maar eens wat te noemen: was Mulisch werkelijk de kwade genius, die Donner van zijn ware bestemming afhield, zoals hier beschreven? Het algemene beeld dat in dit boek van Donner gegeven wordt, lijkt mij zeer levensecht. Er staan ongetwijfeld dingen in die niet helemaal waar zijn, maar Donner zou dat beslist niet erg gevonden hebben.