Doek valt voor een gevoelig bankgeheim

De dagen lijken geteld voor het laatste geheim van de Nederlandse banken - de omvang van hun stille reserves.

De bestuurder van ABN Amro schudt zijn hoofd. Nee, er komt geen bankenlobby om de stille reserves te redden. En nee, niet zijn naam in de krant. Het is een gevoelig onderwerp, waarover bankiers niet graag publiekelijk een duidelijke opinie verkondigen. “Wij hadden natuurlijk graag gezien dat de rest van de wereld ons model met stille reserves overnam, maar helaas, zo werkt het niet.”

Tot twee jaar geleden was de bedrijfstak, van de banken tot en met de toezichthoudende Nederlandsche Bank, recht in de leer. Sindsdien brokkelt het front af. De Nederlandsche Bank ging als een der eersten door de bocht en verzette zich niet langer tegen het vrijgeven van de stille reserves. En ook in eigen kring zijn er afvalligen. Wie op de internationale kapitaalmarkt geld wil aantrekken, moet zich conformeren aan de gebruiken die daar heersen en die mores zijn gestoeld op de Angelsaksische praktijk van openheid en informatieplicht.

De meest prominente afvallige is ABN Amro, die ooit nog met haar aandelen op de beurs van Wall Street genoteerd wil zijn. De bank liep twee jaar geleden in Nederland voorop door dieper inzicht in de samenstelling van haar vermogen, inclusief stille reserves, te geven. De bank gaf nieuwe, internationaal vergelijkbare cijfers over haar vermogenspositie. Dit cijfer, de Bib-ratio die is ontwikkeld door de Bank voor Internationale Betalingen, geeft aan hoeveel vermogen de banken hebben tegenover hun kredieten aan particulieren, bedrijven en landen. J. Koelewijn, beleggingsanalist bij de zakenbank MeesPierson, schat op basis van de Bib-ratio de stille reserves van ABN Amro op 3 miljard gulden.

In Europa zijn de Nederlandse banken, samen met de Duitsers, de laatsten die stug vasthouden aan de stille reserves. Zij hebben de tijdgeest tegen. De Angelsaksische invloed lijkt in de financiële sector aan de winnende hand.

In de Europese besluitvorming delven de Nederlanders en de Duitsers langzaam het onderspit. Onder parlementaire druk besloot minister Kok van Financiën twee jaar geleden al om de Nederlandse regelgeving met ingang van 1998 op de helling te zetten. Hij kondigde voor 1995 nog een evaluatie aan “in het licht van de dan geldende internationale omstandigheden.” Kleine en middelgrote banken reageerden geschrokken. Zij zijn het meest kwetsbaar voor grote stroppen en de daardoor optredende verliezen. Bestuursvoorzitter W. van Driel van Credit Lyonnais Bank Nederland (CLBN) noemde het “baarlijke politieke nonsens”. Zijn collega drs. H. Heemskerk van Van Lanschot brak vorig jaar nog een lans voor een krachtige bankenlobby.

De stille reserves zijn voor de banken nu een onmisbaar instrument om hun stroppen in de kredietverlening en andere tegenvallers, zoals fraudes, op te vangen zonder dat er een haan naar kraait. Onder het motto 'wat niet weet, dat niet deert' hebben de banken en de toezichthoudende Nederlandsche Bank jarenlang de stille reserves gebruikt om het vertrouwen van het publiek in het bankbedrijf te handhaven.

Directeur mr. L.M. Overmars van de branchevereniging NVB vestigt nu zijn hoop op aanpassing van de Europese voorschriften. Volgens hem zal voor iedereen wel duidelijk zijn dat andere landen, zoals Frankrijk, weliswaar geen stille reserves toestaan, maar wel andere oplossingen voor probleembanken hebben. Zo redde de Franse overheid vorig jaar Crédit Lyonnais toen de bank met ernstige financiële problemen dreigde te ontsporen. Overmars: “Zij hebben geen stille reserves, maar wel moedertje Staat.” Hij rekent erop dat De Nederlandsche Bank bij het verdwijnen van de stille reserves zich net als de toezichthouders in andere EG-landen soepeler zal opstellen bij de regels voor de waardering van andere balansposten. Nu moeten de banken zich wat dat betreft aan strenge voorschriften houden, omdat zij ook de stille reserves hebben.

Wanneer de stille reserves bekend worden, verwacht directeur Overmars van de NVB wijzigingen in het toezicht dat De Nederlandsche Bank nu op de banken uitoefent. Nu zijn de toezichthouders aan het Amsterdamse Frederiksplein de enigen met inzicht in de stille reserves. Zij hebben die bevoorrechte positie in het belang van de spaarders en andere geldgevers. Als iedere willekeurige klant tot op de gulden kan zien hoeveel reserves de banken hebben, valt in feite een deel van de taak van De Nederlandsche Bank weg.

Op dit moment geven individuele banken geen informatie over de stroppen die zij lijden op kredieten aan bedrijven en particuliere klanten. Dat schaadt hun zo gekoesterde imago van prudente financiers. Het grote publiek dat zijn spaargeld aan de banken toevertrouwt, zou kunnen schrikken van de verliezen en in een vlaag van rap rijzend wantrouwen zijn geld van de bank halen. Dan ontstaan er grote problemen. Het enige dat individuele banken hoeven te melden is het bedrag dat zij jaarlijks aan hun stroppenpot toevoegen. Vorig jaar ging het voor de bedrijfstak om ruim 3,6 miljard gulden.

Daar staan de nodige stroppen tegenover. In 1993 hebben de gezamenlijke banken volgens voorlopige indicaties van De Nederlandsche Bank ongeveer 3 miljard gulden verloren op kredieten aan klanten die het geld niet meer konden terugbetalen. Het definitieve verliescijfer wordt pas over maanden bekend - verborgen in de kleine lettertjes van de Staatscourant.