De zoete vruchten van de New Deal

Jordan A. Schwarz: The New Dealers. Power politics in the age of Roosevelt 411 blz., Vintage 1994, ƒ 35,75

Beiden beloofden verandering en verlichting in economisch barre tijden, Bill Clinton in 1992 en Franklin D. Roosevelt in 1932. Hoewel Clinton zich graag aan zijn illustere voorganger spiegelt houdt de vergelijking natuurlijk al snel op: waar de huidige regering het vooral druk heeft met 'schandalen' en wanorde in de eigen personeelsvoering, omringde Roosevelt zich in de strijd tegen de depressie met de meest heldere en innovatieve geesten van zijn tijd: de New Dealers.

Persoonlijkheden als Louis D. Brandeis, Felix Frankfurter, Jesse H. Jones, Thomas Corcoran, David Lilienthal, de jonge Lyndon B. Johnson en Henry Kaiser zetten zich met al hun talenten in voor een 'New Deal for the people', de herverdeling van macht en welvaart in de VS. Ze gaven een nieuw gezicht aan de politieke en wetgevende macht en aan de verhouding tussen overheid en private sector. De consumptiemaatschappij die zij schiepen zou het voorbeeld voor alle moderne kapitalistische economieën worden.

De Amerikaanse historicus Jordan A. Schwarz schetst in zijn boek The New Dealers. Power politics in the age of Roosevelt leven en werk van de juristen, politici, financiers, bestuurders en bouwers die deze revolutionaire omwenteling teweegbrachten. Schwarz schreef al eerder over 'movers & shakers' in het interbellum. De eerste 'New Dealers' waren volgens hem al actief tijdens de Eerste Wereldoorlog. William G. McAdoo, Bernard Baruch en de latere beruchte 'laissez faire'-president Herbert Hoover centraliseerden in die jaren voor het eerst belangrijke economische taken om aan de defensie-behoeften van de Geallieerden te kunnen voldoen.

Hoewel de meeste Amerikanen bij het woord staatskapitalisme meteen visioenen kregen van oppermachtige vakbonden en socialistische dictatuur, bleek tussen 1915 en 1918 dat het economisch ingrijpen van de overheid juist heilzaam kon zijn voor de democratie en een vrije economie. Roosevelts New Dealers namen hier een voorbeeld aan en legden de fundamenten voor een economie die in belangrijke mate steunde op de overheid als werkgever en financier. Na 1945 werd die rol alleen maar groter, toen de Koude Oorlog een halve eeuw lang het excuus vormde voor een enorm militair-industrieel complex.

Aan het begin van de jaren dertig was die intense verstrengeling van politieke en economische macht nog ver weg. Na het 'laissez faire' van de Republikeinse presidenten uit de jaren twintig en de daarop volgende economische crisis was in 1933 de tijd rijp voor ingrijpen van de federale overheid. De New Dealers braken verschillende heilige huisjes af: bedrijven en burgers ontvingen financiële steun van de overheid en het dogma van een sluitende begroting werd vervangen door soepele en stimulerende kredietvoorzieningen. Het meest tot de verbeelding sprekend en wereldwijd bekend waren verder de gigantische openbare werken. 'Public investment' zou de krachtigste kapitalistische economie ter wereld reanimeren.

Waterkrachtcentrale

Eén van de kern-projecten en voor het publiek het boegbeeld van de New Deal was de Tennessee Valley Authority (TVA). Geheel door de overheid gefinancierd werd de ontwikkeling van de Tennessee-vallei ter hand genomen. Dammen en dijken maakten de rivier tot een enorme waterkrachtcentrale, waarna prijsregulatie de aangeboden energie betaalbaar hield. De landbouw werd geholpen met irrigatiewerken en ter plekke geproduceerde kunstmest.

Nadat miljoenen huishoudens op de moderne tijd waren aangesloten, moesten ze in staat zijn om iets met die elektriciteit te doen. Daartoe maakte de Reconstruction Finance Corporation, een van de eerste en belangrijkste New-Deal-instellingen, prijs- en krediet-afspraken met producenten van elektrische apparatuur. De burgers raakten massaal verslaafd aan betaalbare elektrische apparaten als fruitpersen, stofzuigers en koelkasten, waarmee de verkoop van TVA-elektriciteit verzekerd was.

Met deze aanpak werd voor het eerst in de geschiedenis op grote schaal de koopkracht en de behoefte aan consumptiegoederen bij de massa gestimuleerd. Dank zij de New Deal hoefde het merendeel van de plattelandshuishoudens zich na de jaren dertig niet meer te behelpen met olielampen en zware handarbeid. Ook het achtergebleven zuiden en westen kregen een sterke impuls. Politici uit Oregon en California kregen in Washington geld los voor ontwikkelingsprojecten zoals de TVA en Texaanse Congresleden wisten belangrijke (defensie-)industrieën naar hun staat te halen. In Florida en andere warme streken werden fabrieken en woningen leefbaar gemaakt door de aanleg van installaties voor air-conditioning, die met New Deal-kredieten en goedkope elektriciteit voor iedereen betaalbaar werden.

Schwarz' boodschap is steeds: 'public investment' en het opkweken van consumpiemaatschappij en militair-industrieel complex hebben Amerika gemaakt tot de moderne economische supermacht die het nu nog steeds is. Maar de indeling van zijn boek is wel wat eigenaardig: de hoofdstukken zijn vernoemd naar 15 belangrijke New Dealers, terwijl de inhoud meer per project en chronologisch geordend is. Zo is het laatste hoofdstuk vernoemd naar de super-aannemer van de New Deal, Henry Kaiser, en bevat het zowel zijn biografie als de conclusie van het boek.

The New Dealers is desondanks een aanwinst naast de bestaande literatuur. Nadat historici als Arthur Schlesinger jr. en Robert Dallek de binnenlandse- respectievelijk buitenlandse politiek van Roosevelt beschreven, heeft Schwarz daar nu een gedegen studie over de revolutionaire herverdeling van welvaart en politieke macht aan toegevoegd. Misschien zou Clinton nog wat kunnen leren van deze geschiedenis, al heeft hij de pech dat hij moet werken met een loodzware staatsschuld en zonder excuus om de defensie-industrie nog eens wat op te schroeven. 'Power politics in the age of Roosevelt' waren leuk, maar de Clintons hebben al gemerkt dat ziektekosten zich minder fraai laten kanaliseren dan de Tennessee.