De toneeltuin

Uit het raam van mijn werkkamer op zolder kijk ik uit op een groot terras dat deze zomer werd aangelegd op het dak van een loods achter ons huis. Eerst werd van tropisch hardhout de terrasvloer getimmerd en gelakt, daarna kwamen er mannen met langwerpige houten bakken waar ze tientallen zakken aarde in leegstortten en toen beplantten met bamboe, ridderspoor, vlijtig liesje, ossetong, duifkruid, kattestaart, sedum en spirea. De bakken werden aan de rand van het terras geplaatst. Daarmee was het terras nog niet klaar: er kwamen twaalf enorme potten met coniferen bij en een keur aan kleinere potten met rozen, hortensia, goudsbloem en brem, manden vol petunia's en plantjes die ik graag met een verrekijkertje nader zou bestuderen. En er kwam, in een reusachtige hardhouten bak, een vijver, compleet met waterlelies en -lissen. Na de beplanting volgde het meubilair: rieten stoelen en tafeltjes, gekleurde waxinelichten, zinken gieters en nog wat rekwisieten om het buitengebeuren te veraangenamen.

Nu kon er geleefd worden op het terras. De glazen schuifdeuren naar het huis werden geopend en ik zag daar in de diepte onder mijn raam hoe de mensen in en uit liepen, neerstreken op de rieten stoelen, koffie dronken, taartjes aten, een sigaret opstaken, aan glaasjes wijn nipten en converseerden. Wat ze zeiden, kon ik niet horen. Het was een stil toneelstuk dat zich daar voltrok, elke dag opnieuw. Soms werd het terras gestofzuigd en ook zag ik eens hoe de rieten stoelen naar de glazen schuifdeuren werden gedraaid, zodat de mensen vanaf hun terras, de wijnkoeler binnen handbereik en omringd door al dat weelderige groen, naar de televisie konden kijken.

Hoewel de tuinslang naar hartelust werd gebruikt, zagen de planten er na een paar weken toch iets minder welgemoed uit, sommige bloemen raakten uitgebloeid en de eerste tekenen van verwelking kondigden zich aan. Ik begon me zorgen te maken: als we een strenge winter krijgen, hoe moet het dan met al die coniferen, rozen en andere vaste planten op het terras? Ik zag voor me hoe die er onherroepelijk aan zouden gaan en een deprimerend decor zouden vormen van afgestorven stengels en bladeren, van verdorde coniferen en uitgedroogde bamboe.

En volgend voorjaar, zou dan het hele decor worden gewisseld? Zouden de mannen van het beplantingsbedrijf dan terugkomen en al die bruine, bevroren troep vervangen door jong groen met nieuwe, frisse scheuten en knoppen? Het leek me onontkoombaar en ik vroeg me af waarom de mensen daar beneden hun toneelstuk niet speelden in een echt decor, met echte zetstukken en coulissen die 's winters, als het zomerse toneelseizoen was afgelopen, in de opslag konden en in de lente weer tevoorschijn gehaald. Conifeertjes, bamboe en hortensia van fraai beschilderd hout, rozen van zijde, aluminium tulpen, tegen de muur een zachtgroen-metalen wingerd of misschien een blauwe regen van ander weerbestendig materiaal. De ideale daktuin, fleurig en decoratief.

Maar misschien was het jaloezie, die mij tot deze gedachten dreef. Want starend uit mijn zolderraam, kwam mij vaak mijn eigen tuin voor de geest, een volkstuin op een groot complex een half uur fietsen buiten de stad. Daar ligt geen vloer van glanzend hardhout, daar heb ik een lapje aarde dat, met alles wat er groeit, al meer dan twee jaar lang ten prooi valt aan een onder- en een bovengronds leger terroristen: woelmuizen en konijnen. Terwijl het konijn zich tegoed doet aan het groen, vreet de woelmuis zich onderaards vet aan plantenwortels en -knollen. Het is een aanval op twee fronten, waar menig gewas het loodje bij legt.

In het maandblaadje van het tuincomplex werd dit voorjaar een lijst van 'konijnbestendige planten' gepubliceerd en ook stond er, onder de titel Kwelbeesten, een artikeltje over de bestrijding van de woelmuis. Hieruit kon men leren dat alleen beroepsmatige telers het beest met vergif te lijf mogen gaan, voor particuliere tuinders is dat verboden, zij moeten zich er op een minder schadelijke manier van zien te ontdoen. En dat is niet eenvoudig. De woelrat zelf mag met zijn gangengraverij en wortelgeknaag hele bloembedden en grasvelden verwoesten, de mens die hem kwijt wil zal zich niet minder destructief en gewetenloos moeten opstellen. Zo kan men als een soort valkuil tussen de gangen of 'ritten' van de woelrat emmers in de grond graven, waar hij langzaam in doodhongert. Als er een sloot bij de tuin is, zo meldt het Kwelbeest-artikel, dan kan men hem daar in fuiken van kippegaas laten verdrinken. Wie nog meer wil weten over het bestrijden van de woelmuis wordt verwezen naar de Landbouwvoorlichting, Afdeling Amateurtuinieren in Dronten. Bij deze instelling heeft men inderdaad nog andere verdelgingsmethodes in petto. De landbouwvoorlichter vertelt desgevraagd over allerlei soorten fuiken en klemmen, die wel een enkel beestje om zeep kunnen helpen, maar bij een plaag niet afdoende zijn en zegt dan, met lichte aarzeling: “Er is nog een manier. Een mengsel van kalk, suiker en meel aanlengen met water, daar balletjes van vormen en die in de ritten leggen. De woelmuis die daarvan eet, zal sterven aan een maagexplosie.” Echt diervriendelijk is het niet, zo geeft hij toe. “We adviseren het ook niet graag, alleen als de nood heel hoog is.”

Uithongeren, verdrinken, maagexplosies. Wie in een zoogdierengids de woelmuis opzoekt, ziet plaatjes van schattige knaagbeestjes met lieve bruine kraaloogjes, die argeloos door hun ondergrondse gangen rennen, naar knusse holletjes waarin altijd een nestje met nog snoeziger babywoelmuisjes ligt. De tuinder die daarna naar de halfdood geknaagde planten en struiken in zijn siertuin kijkt, ziet zich voor een onmogelijk dilemma geplaatst: actief dieren vermoorden of passief al die zorgvuldig uitgekozen planten laten wegkwijnen. Terwijl ik mistroostig de omgewoelde grond aanstamp en besef dat er maar één ding opzit - nietsdoen en de natuur zijn wrede gang laten gaan - denk ik aan het dakterras, die toneeltuin in de stad, waar men geen weet heeft van het echte leven.