DE NADAGEN VAN HET RIVIERENLAND; Het vergeefse protest tegen de dijkverzwaring

Even leek het erop alsof bij de dijkverzwaring voortaan landschap en natuur meer gewicht in de schaal zouden leggen.

De commissie-Boertien, ingesteld na breed burgerprotest, constateerde in 1993 immers dat de versterking van de riverdijken 'onnodig schadelijk' is geweest. Maar ruim anderhalf jaar later is het optimisme verdwenen. Massieve dijken genieten nog steeds de voorkeur.

De strijd lijkt beslecht, de dijk dendert voort.

Bewoners van de streek zien Hellouw nog voor zich zoals het was. Nog maar kort geleden keken zij van de steile dijk uit op huizen omringd door moestuinen, boomgaarden en velden met koeien en geiten. Hier en daar stonden bomen waarvan de kruin over het talud heen reikte. Wat westelijker, ingeklemd in een bocht van de hoge weg, verrees de kerk met de aangrenzende pastorie; daaronder lagen de straatjes van het oude dorp.

Goed toeven was het vooral bij het achttiende-eeuwse café. Zittend in de gelagkamer zag men achter de kruin van de dijk nog net de Waal, de uiterwaarden en een deel van de huisjes met hun landerijen: een landschap dat in de loop der tijden tot een natuurlijke eenheid was gegroeid. Iets mooiers was in Nederland nauwelijks te vinden, daar was ieder het over eens. Het verbaasde dan ook niet dat Hellouw halverwege de jaren tachtig werd voorgedragen voor een plaats op de lijst van beschermde dorpsgezichten.

Maar niet lang daarna arriveerden de aannemers met hun bulldozers en graafmachines. Ze kwamen in opdracht van Rijkswaterstaat en de waterschappen die zich een ontzagwekkende taak hadden gesteld: de verhoging van de Nederlandse rivierdijken met een gemiddelde van 1,3 meter over een lengte van ruim 600 kilometer.

Na afloop van de werkzaamheden op dit dijkvak had de omgeving een ander aanzien gekregen. De boomgaarden waren verdwenen, de hoge bomen geveld en van tal van panden restte geen spoor meer. De steile, kronkelige waterkering bleek bovendien veranderd in een zwaar en log gevaarte van beton en basalt. Evenals het café lag de kerk nu, beroofd van haar entourage, verloren in de ruimte. Als om dit te accentueren was op de plek van de elleboog in de oude dijk een gazon met rotstuintje aangelegd. Daarachter stonden de auto's geparkeerd van een Mercedes-dealer.

Nadat het karwei erop zat, werd weinige meters verder tussen het basalt een gedenkteken aangebracht. Het vermeldt de datum 8 juni 1989 en daaronder de naam J. van Dijkhuizen, de gedeputeerde die zich in Gelderland sterk maakt voor de dijken. Een van zijn vurige opponenten, de schilder Willem den Ouden, kost het op deze plaats moeite zijn kalmte te bewaren. “Dank zij deze steen ligt vast wie hiervoor verantwoordelijk is”, zegt hij. “Langs deze dijk komt het nooit meer goed. Waar Attila is geweest wil niets meer groeien. De ziel is uit dit landschap gesneden.”

Toch is Hellouw inmiddels opgenomen op de lijst met beschermde dorpsgezichten, zoals het ministerie van WVC onlangs berichtte. “Helaas kwam dit nieuws een beetje laat”, aldus wethouder Aart Kusters van Neerijnen, de gemeente waartoe het dorp behoort. “Omdat de boel inmiddels was gesloopt, hebben we gevraagd de maatregel ongedaan te maken.” T egen ingrepen als die bij Hellouw stelden actiegroepen zich de afgelopen decennia steeds feller te weer. In de zomer van 1992 had hun oppositie zoveel weerklank, dat de toenmalige minister Maij-Weggen (verkeer en waterstaat) zich genoopt zag op te treden. Door haar toedoen kreeg de commissie-Boertien opdracht een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop de rivierdijken werden versterkt. Al begin januari kwam de commissie tot de conclusie dat de operatie 'onnodig schadelijk' was geweest voor waardevolle natuur- en cultuurlandschappen. Aanbevolen werd gebruik te maken van zorgvuldiger procedures en methodes, met als gevolg 'beter uitgedachte ontwerpen' voor 'minder zware dijkprofielen'. Het rapport kreeg een goede ontvangst; algemeen leefde de overtuiging dat hiermee een nieuwe fase was aangebroken.

Weinigen stonden erbij stil dat zestien jaar eerder precies hetzelfde was gebeurd. Toen heerste er opluchting over de bevindingen van de commissie-Becht, eveneens ingesteld na protesten tegen grootschalige vernietiging door dijkenbouwers. Rond 1975 richtte de oppositie zich in het bijzonder op de onttakeling van Brakel, een Waaldorp waar 180 huizen werden afgebroken om ruimte te scheppen voor een bredere dijk. Indachtig de watersnoodramp van 1953 gold in die tijd voor rivierdijken de Delta-norm: zij moesten zo sterk zijn dat maximaal eens in de 3.000 jaar wateroverlast zou optreden.

De commissie-Becht toonde zich minder streng. Ter beperking van de schade aan de omgeving nam zij in 1977 genoegen met een periode van 1.250 jaar, een norm die moest leiden tot minder zware dijken. Bovendien legde de commissie de nadruk op het maken van 'uitgekiende ontwerpen'. De regering onderschreef dit uitgangspunt, maar de vreugde hierover ebde snel weg. Hoewel nooit werd gemeld dat de aanbevelingen van tafel waren geveegd, ging men op grond van 'nieuwe berekeningen' volgens de oorspronkelijke opzet verder.

De weerstand daartegen had geen effect. Het parlement was in dit opzicht niet alert, stelt dr. H. M. de Booijs, indertijd Kamerlid voor de PvdA en in 1992 lid van de commissie-Boertien. “Al in 1972 had ik de dijkverzwaring aan de orde gesteld, maar na het rapport van Becht hebben mijn collega's en ik zitten slapen”, geeft zij toe. “Toen ik wakker werd, was het te laat. Dat verwijt ik mezelf nu.”

Ook ditmaal is er geen garantie dat het beter loopt. Boertien en zijn commissieleden vroegen zich af of zij zichzelf tot 'waakhond' moesten benoemen, maar de betrokken instanties zagen daarvoor geen noodzaak. Er was, naar men zei, sprake van een kentering in het denken, die tot betere procedures zou leiden. Gedeputeerde Van Dijkhuizen, voor de gelegenheid gefotografeerd bij een stapel zandzakken, sprak in advertenties onlangs nog van een 'doorbraak' bij de dijkverbetering: een taak waarmee men in het vervolg, zoals hij het noemde, beter om zou gaan. Dergelijke signalen wekten de indruk dat er inderdaad sprake is van een cultuuromslag, een andere veelgebruikte term in deze sector. Vooral de toezegging dat nu alle dijkversterkingen zijn onderworpen aan een Milieu-effectrapportage (MER) versterkte het vertrouwen.

Toch was niet iedereen er gerust op dat het leed was geleden. In deze krant wees Marc Chavannes er in zijn Kroniek op dat de commissie-Boertien was opgezet met een politiek doel ('zo snel mogelijk kunnen doorgaan'), hetgeen slechts kon resulteren in een compromis. Later voorspelde hij een verdere verschraling daarvan, zodat het resultaat van de hele operatie beperkt zou zijn. De commissie had zelf al duidelijk gemaakt dat volledig sparen van het nog resterende rivierlandschap te kostbaar was. Geadviseerd werd 185 miljoen (later bijgesteld tot 220 miljoen) uit te trekken om 56 procent te kunnen behouden, een op onvolledige gegevens gebaseerd percentage dat sindsdien een eigen leven is gaan leiden.

Willem den Ouden (66) was aanvankelijk hoopvol: “De polderbestuurders en ambtenaren leken welgezind, voorstellen tot veranderingen werden op bijeenkomsten van adviesgroepen snel geaccepteerd. Het zag ernaar uit dat het nu werkelijk de goede kant op ging.” Ook zijn medestander Aart Kusters in Ophemert had daar vertrouwen in. “De aangepaste ontwerpen die we onder ogen kregen vond ik een verademing. Bepaalde dijkvakken leken niet meer op een racebaan, de hoeken en zwenkingen waren veelal intact gelaten.” Maar bij nadere bestudering van de plannen voor het tracé Tiel-Waardenburg veranderde Kusters van inzicht. Hij realiseerde zich dat men, anders dan 'Boertien' voor ogen stond, voor grote delen van het tracé toch weer aanstuurde op het gevreesde kale, massieve profiel. Met het oog op de stabiliteit was dit noodzakelijk, zo hield het polderdistrict Tieler- en Culemborgerwaarden vol. Navraag over een bepaald stuk bij de dienst Weg- en waterbouw van Rijkswaterstaat leerde hem echter dat het ook anders kon. Het polderdistrict kon dit toen niet meer ontkennen, maar de zegsman van de dienst had inmiddels een spreekverbod gekregen. “Daardoor groeide bij mij de argwaan”, aldus Kusters. “Hoe kan je vertrouwen hebben in instanties die bewust informatie achterhouden? In zo'n situatie kan een burger weinig meer uitrichten.” D en Ouden, een paar kilometer verder woonachtig in Varik, vertelt dat hij van inzicht veranderde door de voorstellen voor de dijk buiten Tiel. Ten behoeve van de parkeerruimte bij een supermarkt is het polderdistrict daar bereid tot het aanbrengen van een 160 meter lange damwand: een kunstwerk dat het terrein voor 1250 jaar moet behoeden voor wateroverlast. Een dergelijk 'uitgekiend ontwerp' werd echter afgewezen voor een stuk dijk van 400 meter dat, daar vlakbij, als een lint door het landschap slingert. “Voor dit dijkvak, een van de mooiste langs de Waal, was deze oplossing te duur”, zegt Den Ouden. “In plaats daarvan wordt er nu een brede nieuwe dijk voor de oude gelegd, zodat de harmonie van het gebied verloren gaat.”

In een poging te verduidelijken wat de dijkversterking betekent, heeft Willem den Ouden nauwkeurig becijferd wat de consequenties zijn voor het tracé Tiel-Zennewijnen. Het gaat hier om 8.520 meter dijk, waarvan 1.200 meter blijft gehandhaafd; van de overige 7.320 meter krijgt in het gunstigste geval niet meer dan 5,4 procent het door Boertien aanbevolen steile silhouet. Zijn oordeel staat vast: “We hebben verloren, een landschap dat eeuwenlang een inspiratie was voor schilders wordt eenvormig gemaakt en recht getrokken. Straks is iedereen vergeten hoe het hier was.”

De genoemde dijk behoort tot de tracés die door Gedeputeerde Staten al waren goedgekeurd. Gemeld werd dat deze stukken, bij elkaar honderd kilometer, niet meer in aanmerking kwamen voor een MER; daar stond de toezegging tegenover dat men zou werken 'in de geest van Boertien'. Maar de Gelderse dijkgraaf J. van Leeuwen stelde meteen grenzen. Tegen de Dijkenkrant van de provincie zei hij dat het nodig was 'ergens' een streep te trekken: “Sommige plannen zitten al zo ver in de koker dat ze niet meer terug te draaien zijn.” Het polderdistrict Tieler- en Culemborgerwaarden sprak bovendien een duidelijke voorkeur uit voor een brede dijkvoet met langzaam aflopende hellingen ('standaard 1 op 3'); voor andere oplossingen was meestal geen tijd meer.

Toch gaat men ervan uit dat belanghebbenden 'meewerken en meepraten' over de werkzaamheden. Om dat mogelijk te maken stellen de waterschappen alom advies-, stuur- en klankbordgroepen samen. Mr. I. Vogels, hoofd waterbeheersing van de provincie Gelderland, verzekert dat zo op unieke wijze de democratie tot haar recht komt. Maar een probleem is dat vertegenwoordigers van provincie, polderdistricten en Heidemij numeriek de toon aangeven: naast hen vallen afgevaardigden van organisaties als Red ons Rivierland in het niet. Richard Siebers, lid van 32 adviesgroepen, ondervindt wat dit betekent. “Soms gaat het goed, maar vaak krijgen we nauwelijks armslag. Van een second opinion of een evaluatie van het ontwerp is geen sprake, de kleinste verandering moet op het scherp van de snede worden bevochten.”

Desondanks is de provincie bevreesd dat de inspraak te ver gaat. Zo vertrouwde een ambtenaar de Dijkenkrant toe soms 'op de rem' te gaan staan: “De uiteindelijke keuzes maakt het bevoegd gezag, dat zijn de provincie en de waterschappen.” Om deze reden gaf Den Ouden zich onlangs gewonnen. “Op een gegeven moment vond ik het zinloos nog langer in de adviesgroep te blijven. Die vergaderingen nekten me, als ze voorbij waren voelden mijn spieren alsof ik van de trap was gevallen. Na acht jaar vechten raken mijn reserves op.”

In Voorst spelen Renee de Jonge (74) en haar medestanders Miep van Hall en Anneke Strijbos het spel nog steeds mee. Als leden van een stuurgroep vervolgen zij hun jarenlange strijd voor behoud van de Bomendijk, een zeven eeuwen oude afscheiding tussen de Veluwe en de kleigronden van de IJssel. “Maar het wordt er niet makkelijker op”, vinden de activisten, landelijk bekend als de Dames van de Bomendijk. “De sympathie voor ons neemt af, de rijen sluiten zich. Op vergaderingen staan we vaak alleen.” De frictie begon toen de andere partijen terug kwamen op het plan een nieuw tracé aan te leggen dat de Bomendijk zou sparen. Inplaats daarvan wil men nu op de dijk zelf te werk gaan met een Silent Piler, een gloednieuwe Japanse 'wondermachine' die weinig ruimte nodig heeft om damwanden te slaan. Daardoor blijft de schade beperkt, zo veronderstellen deskundigen, maar gezien de bijbehorende kraan, vrachtwagens en ander materieel is niet ieder daar gerust op. “Niemand weet wat de gevolgen zijn voor de bomen, de planten en de beschermde vogelsoorten van dit gebied”, weet Renee de Jonge. “Daarom blijven wij ons verzetten. In een van de laatste onaangetaste landschappen van ons land horen geen experimenten thuis.”

Een bron van problemen vormt de onduidelijkheid over de vraag in hoeverre de dijkversterking rekening dient te houden met landschap, natuur en cultuurhistorische waarden. Inventarisaties ontbreken grotendeels en richtlijnen ten aanzien van deze zogenaamde LNC-normen zijn niet wettelijk vastgelegd. De Groningse hoogleraar milieurecht C. Lambers noemde dit in deze krant onlangs 'een grenzeloze slordigheid'. In een onder zijn leiding gemaakte studie over juridische aspecten van dijkverzwaring bepleit hij binnenkort deze omissie alsnog goed te maken. De provincie Gelderland had de LNC-normen wel willen vaststellen, maar concludeerde volgens mr. Vogels dat de tijd daar niet rijp voor was. Wel gaf men in het Rivierdijkenplan met 'koerskleuren' aan op welke trajecten bijzondere waarden zijn te vinden. Wanneer dit blijkbaar niet het geval is, voldoet een dijk van standaardprofiel; voor 'incidenten' op de route is een uitgekiend ontwerp mogelijk, ook wel aangeduid als een chirurgische oplossing. M aar ook dan is er geen garantie dat het goed gaat. Dat merkte Evert Kuin die, samen met anderen, bij Deventer twaalf jaar lang een dijkvak vol zeldzame plantensoorten beheerde. Om deze te beschermen zou men tijdens de dijkverzwaring zorgvuldig werken. In werkelijkheid liep het anders. Na bewaring in depot werd de bovengrond door elkaar gegooid, ingezaaid met sterk gras en tenslotte bedekt met kunstmest, zodat duifkruid, trilgras, veldsalie en andere kwetsbare soorten ten onder gingen. “Ik ben nu uitgeblust”, zegt Kuin. “Een erfenis van zeshonderd jaar was in één dag vernield.” Maar de wil is aanwezig om het goed te doen, houdt de provincie vol. “We zitten in een groeiproces, het gaat met vallen en opstaan”, stelt mr. Vogels. “We vertrouwen erop dat het laatste de overhand krijgt.”

Een argument hiervoor is de keus voor een natuurvriendelijk beheer van de dijken. Maar secretaris Kok van het polderdistrict Groot Maas en Waal vindt deze aanpak, gezien de kosten, alleen 'maatschappelijk verantwoord' op brede, voor grote maaimachines geschikte taluds. Om het hooi af te voeren zijn binnendijks aan de benedenzijde ook voor fietsers bedoelde werkpaden nodig. Evert Kuin weet waartoe dit maairegime langs de IJssel leidt. “In het voorjaar komt er een machine die in één keer van Arnhem tot Hattem de dijk bestrijkt. Daarna is er voor vlinders geen bloem meer te vinden en zijn de rijk begroeide plekken bij de opritten aan gort gereden. Zo krijgt de natuur geen kans.”

Toch gelden er voor het dijkbeheer strikte voorwaarden, maar de provincie noemt het onmogelijk ze 'van de ene dag op de andere' te effectueren. In de praktijk blijkt dat veel afhangt van de goede wil van de waterschappen; het rijk legde de verantwoording voor de dijkversterking weliswaar bij de provincies, maar deze zijn huiverig dijkgraven en heemraden aan banden te leggen. Door de commotie van de laatste jaren en dreigende fuseringen hebben zij het al moeilijk genoeg, zo zou de redenering zijn. Intussen signaleren betrokkenen grote verschillen: sommige waterschappen zijn bereid tot overleg, andere zitten naar men zegt 'strak in de veren' en willen hun macht niet afstaan. Verondersteld wordt dat deze houding voortkomt uit vrees voor hogere kosten: een motief dat sterker wordt nu de minister de subsidie voor onderhoud wil halveren. Z eker is dat de strijd om de dijken de laatste tijd is verhard. Degenen die het landschap intact willen houden, merken daarvan de gevolgen: de een krijgt telefonische bedreigingen, een ander ondervindt al bijna een jaar wonderlijke vormen van tegenwerking, een derde wordt onder valse vlag benaderd om 'inlichtingen' over zijn medestanders. Dit alles weerhield de stichtingen Red ons Rivierlandschap en Het Waallandschap er niet van vorige week een bezwaarschrift in te dienen tegen de voorstellen voor de dijk bij Tiel. Zij voelen zich gesterkt door de uitspraak van de Europese Commissie dat een milieubeoordeling van de dijkversterkingen ten onrechte achterwege bleef, een standpunt dat ook van toepassing is op al goedgekeurde dijkvakken. Daarbij komt nog het oordeel van een groep deskundigen die, desgevraagd, de Raad van State dezer dagen adviseerde bepaalde projecten bij Varik niet goed te keuren.

Met dit al blijft de toekomst ongewis. Het aanzien van een onvervangbaar cultuurlandschap is afhankelijk van toevalligheden: het oordeel van een instantie, de actieradius van een maaimachine, de mening van een aantal individuen. Vooral wat dat laatste betreft zijn de dames van de Bomendijk niet gerust. Tijdens een wandeling door het gebied, in een nota omschreven als inspirerend en bijna toverachtig, merkten zij dat de deskundigen onbewogen bleven. “Niemand zei ooit dat het er mooi was”, herinneren ze zich. Willem den Ouden had bij een werkbezoek aan zijn geliefde Waaldijk dezelfde ervaring. “De ambtenaren in de groep zagen niets, ze staarden voor zich uit als gekookte wijtingen. Het belangrijkste was voor hen dat ze om vijf uur weer zo snel mogelijk naar huis konden.”

Lopend over de brede basaltdijk bij Hellouw vat de schilder de situatie samen: “Zonder dat men het beseft, voltrekt zich een onafwendbaar noodlot. Sinds het begin van de herverkaveling is Nederland op de schop gegaan, in enkele tientallen jaren wordt de lijn van de historie uitgewist. Maar een land zonder verleden heeft geen toekomst.”

In Ophemert, wat verder langs de rivier, ziet wethouder Kusters het niet anders: “Langzaam maar zeker wordt alles uniform. Vroeger was de Betuwe een naam die het hart van de mensen sneller deed kloppen, straks is het weinig meer dan zomaar een geografische aanduiding.”