De jaren zestig als misverstand

Andrew Jamison & Ron Eyerman: Seeds of the Sixties 236 blz., University of California Press 1994, ƒ 58.-

Na drie decennia kunnen we het gerust toegeven: de jaren zestig waren een pijnlijke vergissing. De vraag is alleen: van wie? Van de rebellerende studenten die gratis onderwijs voor iedereen wilden - en dat kregen ook - zodat we nu met de gebakken peren zitten? Van de bevlogen intellectuelen die het begrip intellectueel voorgoed belachelijk maakten? Van de radicale jongeren die de verbeelding aan de macht wilden, maar alleen zichzelf in het zadel hielpen? Of van de toenmalige politieke en culturele machthebbers die ofwel naar de bullepees grepen, ofwel met de staart tussen de benen de loopgraven van hun burgerlijke beschaving ontvluchtten?

Het juiste antwoord is wellicht dat wijzelf de meest pijnlijke vergissing maken door de jaren zestig bewust of onbewust te beschouwen als een unieke periode vol verandering, vernieuwing, dynamiek en diepgang. Het decennium is in retrospectieve devotie door ons gebalsemd tot een waterscheiding tussen het verleden en de moderne tijd. Sterker nog, de jaren zestig vervullen tegenwoordig onmiskenbaar een functie als Gründungsmythe: ze zijn het boek Genesis van de nieuwe Sprachherrschaftsklasse, zoals de Duitse socioloog Helmut Schelsky de huidige elite ooit omschreef.

Net als elke mythe die de grondslag voor een bepaalde maatschappelijke machtsverdeling vormt, worden de jaren zestig zorgvuldig gekoesterd en keer op keer vol ontzag nagespeeld, als betrof het een passiespel: dat geldt evenzeer voor Woodstock II als voor de de jaarlijkse bedevaart naar het Maagdenhuis, evenzeer voor de radiozender die uitsluitend muziek uit die tijd speelt als voor het aureool van vernieuwing dat onuitwisbaar om de bijna pensioengerechtigde Hans van Mierlo hangt.

De jaren zestig zijn aldus geworden tot de geseculariseerde religie van onze tijd, ook voor hen die pas veel later streepjespak voor spijkerbroek hebben verruild. De 'generatie Nix' van ontheemde twintigers kan daartegen protesteren wat ze wil, alleen al het feit dat zij zegt 'geen boodschap te hebben aan de jaren zestig' betekent dat ook zij slechts één plaatsbepaling in de tijd kent.

Het is dus niet verbazend dat een nieuwe tournee van The Rolling Stones, die nu bijna langer bestaan dan The Ramblers, in de pers wordt gevierd als een hoogmis. Maar het is wel verbazend dat er in Nederland nauwelijks betekenisvolle geschiedschrijving over de jaren zestig bestaat. Natuurlijk, er zijn massa's publikaties over de happenings van destijds, over Provo ('één van de belangrijkste Nederlandse bijdragen aan de moderne wereldgeschiedenis', zoals de achterflap van Roel van Duyns boek Provo uit 1985 vermeldt), over de studentenbeweging, over Zo is 't toevallig..., over Hoepla, over hoe mooi het was en hoe grensverleggend. Maar wie een omvattende historische visie op het decennium zoekt, staat met lege handen: er bestaat geen standaardwerk, er bestaat geen prosopografische analyse van de elite in Nederland sinds 1960 en er bestaat ook geen bevredigende intellectuele geschiedenis van denken en mentaliteit in die tijd. De periode tussen 1969 en 1994 is langer dan die tussen 1945 en 1968, maar het wachten is nog steeds op de Loe de Jong van de jaren zestig.

Een historisch perspectief zal in de eerste plaats ontnuchterend werken op het geloof dat de jaren zestig uniek zijn geweest. De idee van originaliteit, van een cultureel Stunde Null, was in de eerste plaats deel van de toenmalige ideologie, en het was misschien wel de belangrijkste claim van de jaren-zestig-jeugd dat ze spontaan zelf een nieuwe vorm gaf aan het tijdsgewricht. Dat geloof was wereldwijd, het werd beleden van Berkeley tot de Sorbonne, maar het was een tragisch abuis.

Wortels

Dat is al vaker geconstateerd, vooral in de Verenigde Staten, maar nu wordt het uit onverdachte hoek naar voren gebracht in de recente studie Seeds of the Sixties van de in Zweden werkzame Amerikaanse onderzoekers Andrew Jamison en Ron Eyerman. Ze zien eruit als voormalige New Left-radicalen wier geestesleven thans wordt verscheurd tussen een bovenmodaal inkomen en de nostalgie naar oude idealen. Maar dat weerhoudt hen er niet van de jaren zestig enigszins tegen het licht te houden en op zoek te gaan naar de intellectuele wortels van hun eigen generatie.

Hoewel die wortels lang zijn, zoals Christopher Lasch al uiteenzette in zijn The New radicalism in America 1889-1963 (1965), beperken Jamison en Eyerman zich in hoofdzaak tot de periode tussen 1945 en 1963. Uit het jaren-zestig-perspectief is dat tijdperk altijd afgeschilderd als saai, gedomineerd door de Koude Oorlog, communisten-angst, truttigheid en benauwend moralisme, kortom, als de prehistorie waarmee afgerekend diende te worden. In werkelijkheid was er toen veel meer aan de hand, hetgeen David Halberstam vorig jaar vastlegde in zijn vuistdikke The Fifties, en onlangs fascinerend werd verbeeld in de televisie-serie Lipstick on your collar van Dennis Potter.

In een tijdperk dat blaakte van groeiende welvaart, conformisme, suburbanisatie, zelfbeklemming, expansie van het hoger onderwijs en de triomf van wetenschap en techniek, was wel degelijk ruimte voor dissidenten. Ze moesten weerstand overwinnen, maar konden zich goed verstaanbaar maken. En juist de tegenstand gaf aan hun werk iets extra's, suggereren Jamison en Eyerman, een kwaliteit die latere maatschappijcritici, meedeinend op de golven van de tijdgeest, nooit meer helemaal wisten te bereiken.

In de jaren vijftig werd in de Verenigde Staten niet alleen de toon gezet door Joseph McCarthy, wil Seeds of the Sixties beklemtonen, het was ook de tijd dat cultuurcritici als James Baldwin en Dwight Macdonald konden publiceren in Esquire en Playboy, dat de milieu-activist avant la lettre Lewis Mumford en de grommerige dissident Irving Howe columns hadden in de New Yorker en Time, dat Margaret Mead schreef voor het veelgelezen damesblad Redbook, en dat maatschappijcritici C. Wright Mills en Erich Fromm op de televisie gevierd werden als auteurs van de best-sellers The Power Elite (1956) en The Sane Society (1955). In de jaren vijftig zong niet alleen Pat Boone liedjes, maar ook Elvis Presley - èn onthaalde de New York Times al in 1952 onder de wervende kop 'This Is the Beat Generation' de nieuwlichters William Burroughs, Jack Kerouac en Allen Ginsberg, die hun antiburgerlijke levensstijl daarna ook mochten uitdragen in Time, Life, Esquire en de New Yorker, terwijl Herbert Marcuse vanuit de elite-universiteiten van Columbia en Harvard de Amerikanen op zijn Eros and Culture (1955) vergastte.

Korte schetsen

Het was een merkwaardige tijd, en het waren merkwaardige tegendraadse intellectuelen die toen de zaadjes plantten van de geesteshouding die hen in de jaren zestig boven het hoofd zou groeien. Om dat proces in kaart te brengen, bieden Jamison en Eyerman in hun boek een reeks korte schetsen van leven en werk van vijftien destijds vooraanstaande maatschappij-critici. Zij onderstrepen dat het niet ging om een heldhaftige elite die met gevaar voor eigen leven het springtij van maatschappelijke repressie trotseerde. De essentie is juist dat in al die netjes aangeharkte suburbia de werken van Wright Mills, Fromm, Hannah Arendt, Marcuse, Mead, Ginsberg, Mary McCarthy, Saul Alinsky, en Martin Luther King echt gelezen werden, of in ieder geval via de massamedia en goedkope pocketboeken wortel schoten in the hearts and minds van de burgerij.

Overigens waren veel dissidenten die in dit boek de hoofdrol spelen merendeels niet eens zozeer bezig de piketpalen van de toekomst uit te zetten, maar continueerden ze vooral de discussies die in de jaren twintig en dertig zowel in Europa als de Verenigde Staten in intellectuele kring waren gevoerd. Hun interesse lag bij de hoofdthema's van die debatten: Freud, Marx, de massacultuur, het totalitarisme, de technocratisering van de samenleving, het modernisme, de plaats van de mens in de geïndustrialiseerde maatschappij.

Het is jammer dat Jamison en Eyerman nauwelijks belichten hoe het geredekavel over die aloude kwesties tussen de anti-fascistische marxistische denkers van weleer in de jaren vijftig tot diametraal tegengestelde gevolgtrekkingen leidde. Aan de ene kant wilden de gedesillusioneerde 'New York Intellectuals' van de Partisan Review korte metten maken met hun eigen verleden, alsmede met Marx en niet zelden eveneens met Freud. Zij hadden zich bekeerd tot een soort hard-boiled liberalism, dat de maatschappelijke status quo ondersteunde en sterk leunde op de pragmatische tradities in het Amerikaanse geestesleven. Aan de ander kant gaf de toevloed van Exil-intellectuelen zoals Arendt, Fromm, Marcuse, Horkheimer en Adorno juist nieuwe inspiratie aan de taaie maar enigszins desperate onderstroom van radicalisme in de Nieuwe Wereld.

Het openbare debat in naoorlogs Amerika was zo een zonderlinge cocktail: enerzijds zongen ex-marxisten als Sydney Hook en Dwight Macdonald de ongebreidelde lof van het Vrije Westen, anderzijds klonk in een zware Duitse tongval, doorspekt met Hegeliaanse en Freudiaanse begrippen, de waarschuwing dat de Westerse wereld bezig was te verzinken in totalitair conformisme. Die tegengestelde visies hadden overigens veel gemeenschappelijks. In de eerste plaats de teleurstelling over de naoorlogse werkelijkheid, in de tweede plaats het enorme belang dat werd gehecht aan de rol van de intellectueel in het maatschappelijk leven, en in de derde plaats de worteling in de trauma's van de jaren dertig en veertig.

Deze achtergrond was niet vreemd aan het feit dat uiteindelijk het grote onderliggende thema van alle denkers in de jaren vijftig de menselijke autonomie was: de vraag waarom de mens steeds weer geneigd was te kiezen voor totalitaire ideologieën en conformistische groepsverbanden, en hoe hij daaraan kon ontsnappen. Fromm had zich al in 1941 uitvoerig over de kwestie gebogen in zijn De angst voor vrijheid, en aan de andere kant van het spectrum kwam ook de sombere anti-liberal Lionel Trilling er keer op keer op terug in zijn kritisch werk, zoals The Liberal Imagination (1951).

Verknoping

Zo was de erfenis van de jaren vijftig een bijzonder complexe verknoping van intellectuele visies en maatschappelijke ontwikkelingen die allemaal vrij baan boden aan de baby-boom generatie. Het is interessant te zien hoe tegen het jaar 1960 de status van 'de intellectueel' als sociaal type zeer hoog was in de VS. Niet alleen meenden intellectuelen zelf dat ze enorm belangrijk waren (bladen als Dissent van Irving Howe en Commentary van Norman Podhoretz barstten bijkans uit elkaar van dat geloof), maar ook in de samenleving als geheel konden ze een potje breken. Daarom aarzelde Marilyn Monroe niet om met Norman Mailer te trouwen, was Joe McCarthy geobsedeerd door de invloed van intellectuelen, en bestond Kennedy's entourage voor een groot deel uit de in hemdsmouwen geklede intellectuelen zoals de Amerikanen ze graag zagen.

Daarnaast gaf de snel expanderende economie aan de aanstormende elite alle kans de oude discussie over menselijke autonomie te vertalen in een 'do-your-own-thing'-ideologie. En precies op dit punt zouden veel zaaiers van de Seeds of the Sixties afhaken. Dat Lionel Trilling de 'tegencultuur' van de hippies veroordeelde als het summum van conformisme en een tragische illustratie van het menselijk tekort, is misschien niet zo verwonderlijk, maar hij was niet de enige met twijfels. Het is nu een beetje vergeten dat ook radicalen als Arendt, Mead, Fromm en zelfs Marcuse niet altijd bijster enthousiast waren over de koers die in de jaren zestig werd ingeslagen door de rebelse jongeren. Zij zelf waren zich bewust, soms overbewust, van hun historische wortels, van de lange intellectuele tradities waarmee zij in debat waren. Zij voerden hun discussies met een diep doorleefd verleden, maar de bloemetjesjeugd verklaarde die geschiedenis eenvoudig van de ene op de ander dag dood. Op een voor de oudere radicalen ongehoorde ludieke, luchthartige en egotistische wijze claimde zij de originaliteit, uniekheid en autonomie waarmee hun voorgangers in de jaren vijftig zo omstandig hadden geworsteld.

Voor veel oude dissidenten leek in de jaren zestig hun intellectuele erfenis plotsklaps te verwateren en vulgariseren: gedachten werden slogans, wijsgerige visies werden modieuze lifestyles, pijnlijke zelfanalyse werd overmoed, en de kritische toewijding ging verloren in wolken hasj en marihuana. Daar konden de positieve kanten, zoals het protest tegen de Vietnam-oorlog, weinig aan verhelpen.

Troost

Jamison en Eyerman komen nauwelijks toe aan deze ingewikkelde situatie en dat geven ze ook ruiterlijk toe. Voor de groepen rond de Partisan Review, Dissent, Monthly Review, Science and Society is in hun boek helemaal geen plaats. De betekenis van de neger-emancipatie komt er heel bekaaid af en sociaal-economische ontwikkelingen lijken nauwelijks te bestaan.

Na Seeds of the Sixties resteert dan ook een nogal onbevredigd gevoel. Het boek is een typisch universitair produkt van onze tijd: het is meer een scriptie dan een betoog, het heeft meer enthousiasme dan diepgang en meer opgewektheid dan oorspronkelijkheid. Je kunt je nauwelijks aan de indruk onttrekken dat de gedachten van de hoofdpersonen Jamison en Eyerman enigszins boven de pet gaan. De enige troost is dat je na dit boek met een gerust hart kunt toegeven: de jaren zestig waren een pijnlijke vergissing, maar er werd tenminste leuke muziek gemaakt.