1887

Mevrouw Geertje Roelinga-de Groot, 106 jaar, Heerenveen

“Mijn ouders hebben het vroeger zwaar gehad. We hadden nog geen elektrica. Als de lamp uit ging, dan was het slapen. Er was wel water, maar geen kraanwater. Als achtjarig meisje, de oudste uit een gezin met vijf dochters, hielp ik mijn vader al op het land. Aardappels rooien en in de turf werken. Op mijn 15de kwam ik in dienstbetrekking bij een boer. Ik was het hulpje van de huishoudster daar. Het loon was twintig gulden per half jaar, plus kost en inwoning.

“Ik ben twee keer getrouwd geweest. Ik was 21 jaar toen ik voor de eerste keer trouwde. Mijn eerste man had een vrachtschip, een 'Skûtsje'. We voeren terpmodder, zand en haalden ook wel eens vrachtturf uit Drente. Zes kinderen heb ik van mijn eerste man gehad, waarvan er een jong is overleden. Het lag in onze bedoeling om met de vrachtvaart te stoppen en een boerderijtje te beginnen. Helaas kwam hij op 37 jarige leeftijd te overlijden. Ik heb met de oudste kinderen, die waren toen 14 en 15 jaar, het schippersvak maar weer opgepakt en met beide jongens nog enige jaren vracht vervoerd. De drie jongste kinderen moest ik indertijd tijdelijk bij familie onderbrengen.

“Mijn tweede man was grondwerker. Twee kinderen had ik van hem. In het begin van ons trouwen was hij maar weinig thuis. Meestal zat hij dan in de wegen- of dijkenaanleg. Voor de Eerste Wereldoorlog heeft hij 8 jaar in Duitsland gewerkt. Daar krijg ik nog steeds Duitse rente van. We woonden op een klein boerderijtje en hadden een paar koeien, geiten, varkens en kippen. In de jaren dertig had mijn man geen werk meer en medio jaren dertig kwam hij in de werkverschaffing. Heide ontginnen voor nog geen dertien gulden per week en hij moest soms wel een paar uur fietsen voor hij op het werk was. De heide werd afgeplagd en omgespit, alles met de schep.”