We hebben er ook rimpelloze jaren bij

In NRC Handelsblad van 20 augustus overpeinst A. de Swaan het resultaat van anderhalve eeuw volksgezondheidszorg. De gemiddelde levensverwachting is verdubbeld van 40 tot 80 jaar. Maar hij vindt dat deze toegevoegde jaren ongelijk verdeeld zijn over het bestaan: er is te weinig toegevoegd aan de periode van onze jeugd en teveel aan de ouderdom. Met het gevolg dat de helft van een eigentijds leven opgaat aan 'veroudering'. De ouderdom begint nog steeds op dezelfde leeftijd, zo omstreeks de veertig, en duurt dus drie keer zo lang als anderhalve eeuw geleden. Hij verzucht dat “het leven met de verkeerde helft is verlengd”.

Met deze prikkelende introductie nodigt de Swaan ons uit om ons te beklagen over deze unfaire ontwikkeling. Waarom levert de verlenging van het leven zoveel ouderdom op en zo weinig jeugd? En waarom worden mensen die hun jeugd willen verlengen vaak weggelachen, gestraft of op andere wijze dwarsgezeten? Hij noemt de vijftiger en het verschoven toepetje, de topsporter en de verboden amfetaminen, de man of vrouw die een rimpelloos uiterlijk met plastische chirurgie wil conserveren.

De Swaans klacht over de levensverlenging 'aan de verkeerde kant' klinkt plausibel. Langer leven is immers hetzelfde als ouder worden. Verlenging van de tijd van leven kan nu eenmaal niet anders dan door de dood naar achteren te dringen. Toch is zijn klacht onterecht en zijn somberheid niet echt nodig.

De gemiddelde levensverwachting in een bevolking is een getal; het is de uitkomst van rekenarij op basis van de feitelijke levensduur van mensen. Het neemt toe naarmate een groter percentage erin slaagt om langer te overleven. In de praktijk is de toename van de gemiddelde levensverwachting niet veroorzaakt door toename van de maximaal door een mens te behalen leeftijd, maar door toename van het percentage dat van jaar tot jaar weet te overleven.

Aan welke kant zijn nu vooral levensjaren toegevoegd in de laatste anderhalve eeuw? Is dat, zoals De Swaan zegt, vooral aan de 'verkeerde kant' gebeurd, zeg maar de kant na de 40, zodat wij er 'alleen maar' een aantal jaren van lastige ouderdom, vol rimpels en energieverlies bij gekregen hebben? En zijn er dan geen jaren toegevoegd aan het vitale leven, gemakshalve de periode beneden de 40 jaar? Als wij De Swaan moeten geloven, is dat laatste er maar magertjes van afgekomen.

Van elke duizend pasgeboren baby's slaagt vandaag de dag bijna 99 procent erin om 20 jaar te worden, tegen 77 procent anno 1900. De belangrijkste bijdrage hieraan is geleverd via daling van de sterfte op de kinderleeftijd, vooral in het eerste levensjaar. Deze zuigelingensterfte ligt bij ons op een niveau dat zowat het laagste ter wereld is. Omstreeks 1900 stierven in ons land nog 155 van elke duizend levendgeborenen in hun eerste levensjaar, nu nog maar zeven.

Betere kennis en vooral toepassing van die kennis op het gebied van hygiëne, voeding, bescherming tegen kinderziekten (vaccinaties) en een behoorlijke jeugdgezondheidszorg hebben vervolgens de overleving van één- tot negentienjarigen sterk verbeterd: hun sterftecijfer is sinds 1850 gedaald van vijftien per duizend kinderen in die leeftijdsgroep naar 0,3 per duizend. De gevaarlijkste periode in ons leven ligt aan het begin en die wordt tegenwoordig dus door vrijwel iedereen overleefd.

De kans van een baby om 40 jaar te worden is toegenomen van 70 procent tot ruim 97 procent. Maar ook voor de veertigers is de overleving verbeterd. Voor de groep van 40 tot 65 jaar is de jaarlijkse sterfte gedaald van 18 naar 5 á 6 per 1000. Voor de AOW'ers beneden de 80 daalde de sterfte van 72 tot 30 per 1000. Voor de mensen in de tweede levenshelft ligt de gevaarlijkste leeftijd niet aan het begin maar aan het eind ervan. De kans van een veertiger om de grens van 80 jaar te bereiken is sinds 1900 toegenomen van 23 tot 48 procent, een toename van 25 procent.

Waar is dus het meeste leven toegevoegd: aan de goede of aan de verkeerde kant? Gerekend naar de kans voor iemand die aan het begin staat van een van beide levenshelften (geboorte of de veertigste verjaardag) om die levenshelft ook vol te maken, luidt het antwoord: aan beide kanten is ongeveer evenveel overlevingskans toegevoegd. En als daarnaast nog meegewogen moet worden of dat leven al dan niet vrij is van lichamelijk ongemak, dan slaat de weegschaal al vrij snel door in het voordeel van de 'goede kant': precies het tegenovergestelde van wat De Swaan ons in zijn klacht wil doen geloven.

Toch mag hij ook over het toegevoegde leven aan de 'verkeerde kant' van de veertig niet klagen. Tegenover het sociale ongemak van afzakkende toepetjes bij kalende vijftigers staat immers - om een enkel voorbeeld te noemen - een toenemend aantal mensen dat tot na hun tachtigste op eigen kracht met de caravan Europa rondreist of rond de zeventigste verjaardag nog eens met een studie begint. De Swaan moet ze ook tegenkomen in de collegebanken. Het leven in die tweede helft is voor steeds meer mensen nog niet zo verkeerd als in de overpeinzing van De Swaan wordt gesuggereerd.