Van tegenstander bondgenoot?

Met het CDA moet het erg gesteld zijn, want nu gaat het met het Interkerkelijk Vredesberaad (IKV) in zee. Niet dat dit niet een uiterst honorabel gezelschap is, maar het heeft de laatste jaren een paar keer de politieke plank lelijk misgeslagen. Zijn actie tegen de kruisraketten heeft het einde van de Koude Oorlog eerder vertraagd dan bespoedigd, en zijn verzet tegen de Golfoorlog, bedoeld om een slachtoffer van agressie te hulp te komen, was ook onberaden.

Het schijnt daar evenwel niet veel van geleerd te hebben, want zijn voorzitter, Frans Bauke van der Meer, zegt van een voorstel waarmee het IKV over enkele weken voor den dag wil komen, dat het op het eerste gezicht misschien niet erg realistisch lijkt, “maar dit werd ook gezegd van de strijd tegen de kernwapens” (zo lees ik in de Haagsche Courant van 24 augustus).

Misschien dat Van der Meer eens zijn licht kan opsteken bij het Tweede-Kamerlid Van Traa, die ten tijde van de rakettencrisis, dus begin jaren tachtig, van de PvdA praktisch een bijwagen van het IKV maakte. (Is het daarom dat zijn partij hem voor zijn moeite beloont door hem geen staatssecretarisschap te bieden, waarop zijn intelligentie hem alle recht geeft?)

Van Traa nu zei onlangs in een interview dat lezing van het boek van Timothy Garton Ash over Duitsland en het einde van de Koude Oorlog hem de ogen had geopend: de politiek van president Reagan, waarvan plaatsing van kruisraketten in Europa onderdeel uitmaakte, was, achteraf bezien, nog niet zo gek geweest als IKV en PvdA toentertijd beweerden.

Natuurlijk had Van Traa dit inzicht indertijd ook al in enkele Nederlandse kranten kunnen aantreffen, maar ja, wanneer een buitenlander het zegt, maakt dat natuurlijk meer indruk. Wat je van ver haalt is lekker.

Ik zeg dit niet teneinde alsnog een gelijk te halen - een enigszins miezerige bezigheid - maar bij wijze van poging tot voorkoming van een verkeerde geschiedschrijving of mythevorming - een waarschijnlijk vergeefse bezigheid, want wie ruim tien jaar geleden de straat op ging om tegen die raketten te protesteren - en dat waren er honderdduizenden - laat zich niet gauw de illusie ontnemen dat zijn actie succes heeft gehad.

Wat is ondertussen het voorstel waarvoor het IKV de geesten in Nederland rijp wil maken? Zijn secretaris, Mient Jan Faber, heeft al verscheidene tipjes van de sluier opgelicht, te beginnen met een artikel in Trouw van 9 augustus. Het gaat om de oprichting van een humanitair interventieleger, “dat op verzoek van de Veiligheidsraad terstond mag ingrijpen als er - hetzij door massale slachtpartijen dan wel door bewuste uithongering van de bevolking - volkerenmoord dreigt.

“Het vijftigjarig bestaan van de Verenigde Naties (dat volgend jaar gevierd zal worden) zal - aldus Faber - bekroond moeten worden met de oprichting van zo'n leger, waaraan alle landen een bijdrage geven. In Europa kan de NAVO worden aangewezen als onderdeel van deze interventiemacht.”

Het is duidelijk dat de gebeurtenissen in Bosnië en Rwanda de inspiratie hebben gevormd voor dit voorstel. Het is dan ook een logisch voorstel, en het zou goedkoop zijn er smalend over te doen. Dat wil niet zeggen dat kritiek niet geoorloofd is. Wat dat betreft, wordt mij de taak gemakkelijk gemaakt doordat Trouw in zijn nummer van 31 augustus kritiek op dit voorstel plaatste van andere vredesbewegingen dan het IKV.

Zo schrijven twee leden van de vredesbeweging Lopend Vuur: “Een interventieleger voegt een leger toe aan de al bestaande. De militaire kracht moet zo groot zijn dat het twee of meer strijdende partijen uit elkaar kan halen. Daarmee worden de VN een factor in de bewapeningswedloop. (...) De mensenvernietiging neemt alleen maar toe.”

In een andere reactie schrijft de voorzitter van Peace Brigades International-Nederland en van de Stichting voor Aktieve Geweldloosheid: “Bovendien wordt de VN dan partij in het conflict en verliest het zijn neutrale positie, met alle gevolgen van dien. Overigens hebben interventielegers tot nu toe nog niet laten zien dat ze veel ten goede tot stand kunnen brengen.” Zie bijvoorbeeld Noord-Ierland.

We kunnen, uitgaande van de verondersteling dat genoeg landen bereid gevonden zullen worden aan zo'n leger mee te doen, ook een meer formeel argument aanvoeren: als het interventieleger een instrument van de VN moet zijn (wat voor de hand ligt) en alleen op verzoek van de Veiligheidsraad kan ingrijpen, hoeft er maar één van de vijf permanente leden zijn veto uit te spreken, en het leger is machteloos.

Heeft het IKV nu in het CDA, dat zijn tegenstander was in het kernwapendebat van de jaren tachtig, een bondgenoot gevonden in zijn actie voor een humanitair interventieleger? Dat is nog niet helemaal duidelijk. Wèl hebben IKV en CDA aangekondigd met een “nieuw maatschappelijk project” te zullen trachten de Europese burgers weer te betrekken bij internationale problemen.

Zo stond het in een bericht van het ANP, dat Trouw in zijn nummer van 24 augustus overnam en dat kennelijk zijn oorsprong vond in een persconferentie, gezamenlijk gegeven door Van der Meer en Faber van het IKV en dr. J.J.A.M. van Gennip, directeur van het wetenschappelijk bureau van het CDA. Het bericht vervolgt:

“Volgens Van Gennip moeten het CDA en het IKV zich over hun vaak moeizame relatie in het verleden heen zetten. Van Gennip constateerde dat het enthousiasme van burgers en maatschappelijke organisaties, zoals dat in Latijns-Amerika, zuidelijk Afrika en Oost-Europa de democratiseringsbeweging heeft gevoed, in Europa ontbreekt.

“De vraag is hoe we in Europa iets van dat vuur terug kunnen krijgen”, aldus de CDA-ideoloog. Het antwoord bewaart hij tot 17 september, wanneer hij bij de opening van de vredesweek in debat gaat met dr. K. Blei, secretaris-generaal van de hervormde kerk. Het probleem van een afnemend maatschappelijk engagement kwelt CDA èn IKV.”

We zullen dus tot 17 september moeten wachten alvorens we weten in hoeverre het CDA zich stelt achter Fabers idee voor een humanitair interventieleger (en in hoeverre de directeur van het wetenschappelijk bureau van het CDA spreekt namens die partij).

Intussen doen we er goed aan, het woord van Jacques Delors, voorzitter van de Europese Commissie en straks wellicht socialistisch kandidaat bij de Franse presidentsverkiezingen, ter harte te nemen: “De grootste intellectuele dwaling van deze tijd is de politiek van humanitaire hulp te hebben gehouden voor een buitenlandse politiek.” Het is een uitspraak waarover ook Delors' Nederlandse partijgenoot Pronk eens zou mogen nadenken.