Rarer, Raarder en Vreemderder; De nieuwe Alice-vertalingen van Nicolaas Matsier

De uitgever van de vorige vertaling hield het niet voor mogelijk, maar Nicolaas Matsiers vertaling van Alice in Spiegelland overtreft die van 1947. Waarom een koeterwaal beter is dan een wauwelwok of krakelwok.

Lewis Carroll: De avonturen van Alice in Wonderland & Achter de Spiegel. Vert. Nicolaas Matsier. Uitg. Van Goor, 265 blz. Prijs ƒ 49,90.

Een mens kan zich van alles voorstellen wat niet bestaat: apen die met rolschaatsen aan geboren worden, vliegtuigen die met hun vleugels klapperen en zingen, bomen die stiekem in een kano varen, een wereld zonder water, een stad zonder zwervers, een taal zonder woorden. Maar als geen stilstaande wateren hem op het idee hadden gebracht, dan zou geen mens hebben kunnen verzinnen dat het mogelijk is een zó glad vlak te maken dat je er de hele wereld nogmaals in kunt zien.

Ik kan me heel goed het artikel in de Wetenschapsbijlage voorstellen, waarin een geleerde neerhurkt om ons uit te leggen dat elk oppervlak, hoe glad gevijld ook, bestaat uit hoekige moleculen die de lichtstralen naar alle kanten weerkaatsen en dat een 'spiegel' dus net zo onmogelijk is als een perpetuum mobile of een badkuip waar je uit het lauwe water warm en koud water kunt tappen.

Maar de spiegel bestaat wel. Elk huis heeft er een en de totale Nederlandse spiegelvoorraad beslaat een oppervlak ter grootte van de Amsterdamse binnenstad.

Wat je in de spiegel ziet is de virtuele werkelijkheid. Die is gelijk aan de echte werkelijkheid, op één ding na. In de spiegel zien we mensen bewegen zoals wij bewegen. Maar die mensen hebben geen wil. Ze doen ons na. Ze moeten alles wat wij doen precies nadoen. Dat is voor die lui natuurlijk een buitengewoon onprettige situatie. Wij kennen die onvrijheid alleen in de gevangenis en in de droom. Hoewel dromen ook mooie eigenschappen hebben, blijft het vervelend dat je als dromer geen enkele invloed hebt op wat je gaat doen.

Toen Lewis Carroll een vervolg op Alice in Wonderland ging schrijven, koos hij voor het land achter de spiegel, waar Alice, met behoud van haar eigen wil, in terecht zou komen. Dat tweede deel is minstens zo goed als het eerste deel, maar het is minder goed omdat het nu eenmaal het tweede deel is. Het bevat het beroemde nonsensgedicht Jabberwocky, ontmoetingen met het ei Humpty Dumpty en met het paar Tweedledum en Tweedledee. Bijna alle zinnen uit dat boek zijn ergens in een filosofisch werk geciteerd.

Alice in Wonderland is een kinderboek, dat ook door veel volwassenen graag wordt gelezen. Alice in Spiegelland is waarschijnlijk altijd meer door volwassenen gewaardeerd.

Alice is in alle talen waar boeken in verschijnen vertaald. In Nederland dateert Lize's avonturen uit 1884. In 1889 verschijnt een uitstekende vertaling van mevrouw Ten Raa.

Maar altijd werd alleen het eerste deel vernederlandst. In 1947 publiceren C. Reedijk en Alfred Kossmann eindelijk een vertaling van beide delen.

Vijf jaar geleden kwam Nicolaas Matsier met een nieuwe vertaling van Alice en nu heeft hij ook Achter de Spiegel vertaald. Eindelijk wordt het mogelijk om twee Nederlandse vertalingen tegen de spiegel te houden.

Er is in een halve eeuw wel wat veranderd. Shawl en insect zijn sjaal en insekt geworden. Duelleren, kaakje, stoker zijn nu vechten, biscuitje en machinist. Ja, het Nederlands lezende kind hoeft minder te worden uitgelegd over de wereld van de vorige eeuw dan het Engelse kind.

In een aantal gevallen zijn Reedijk en Kossmann gecorrigeerd: kuiken wordt kip, chocolademelk wordt slappe thee, wol wordt kamgaren. De zwarte koningin wordt net als in het Engels een rode koningin, want men schaakte vaak met witte en rode stukken en in het eerste deel hadden we ook al een rode koningin, namelijk de hartendame. In een paar gevallen zie ik wel dat de vertaling beter is, maar komen er woorden die ik mijn kinderen zal moeten uitleggen. De kniebuiging werd door Reedijk & Kossmann nog gewoon met buiging vertaald, Matsier zegt: knicks. Bloemblaadjes wordt kroonbladeren. Zo zijn er meer veranderingen in de richting van de volwassen lezer. Het is dan ook haast jammer dat het boek er zo als een kinderboek uitziet. Behalve de houtsneden van John Tenniel, zijn er ook een aantal later ingekleurde tekeningen van hem opgenomen. Nu weten we dat de gekleurde omslag van de editie Reedijk & Kossmann, waar Alice een rode jurk aan heeft en het konijn een rode jas, totaal verkeerd is: die jurk en jas zijn blauw!

Je had vroeger een beroemde kinderarts die Fiedeldij Dop heette. Mij leek het dat een kind al bijna weer gezond is als zijn dokter zo heet. Matsier heeft Tiedeldom en Tiedeldie veranderd in: Fiedeldij en Fiedeldop. Zelfs op de kraagjes in de tekeningen is dij en dop geschreven. Het ei Hompie Dompie wordt bij Matsier Wiggel Waggel, een naam die mij aan Wammes Waggel doet denken, maar welk kind leest nog Tom Poes?

In de vertaling van 1949 kwamen twee lopers voor, de boodschappers van de koning. In de uitgebreide Carrollliteratuur is vaak bespiegeld over de vraag waarom Carroll bij zijn schaakstukken de loper oversloeg. Misschien omdat hij als geestelijke het woord 'bishop' niet in een kinderboek wilde zetten. Carroll zou ook zeker de vertaling van why (in 1949 nog kijk!) met jemig betreurd hebben. Matsier maakt van de lopers weer gewoon herauten, maar schenkt ze de schitterende namen Haesz en Hoedema. Waarom die namen zo perfect zijn, moet u zelf maar ontdekken.

Matsier noemt in een kort voorwoord de vertaling van zijn voorgangers 'nog altijd verbazend vief', maar wijst er op dat ze de gedichten aan begin en eind van de boeken hadden weggelaten. De uitgever van Reedijk & Kossmann had het achterop het boek over 'de niet te evenaren knappe vertaling'.

Hierop past wat de Witte Koning tegen Alice zegt: “Ik zei niet dat er niets beter was. Ik zei dat het weergaloos was.” In 1947 zei de koning: “Ik zei dat niets beter was. Ik zei dat niets zo goed was.” Hier lijkt me de koninklijke contradictie toch minder goed weergegeven in 1947.

Deze nieuwe vertaling is beter en weergalozer dan de vorige. Maar om mijn objectiviteit te bewijzen wil ik ook een geval van achteruitgang aanwijzen. Hoofdstuk Twee van Alice begint met het spreekwoordelijk geworden 'Curiouser and curiouser'!. Dat had mevrouw Ten Raa in 1899 al even ongrammatikaal vertaald met 'rarer en rarer'! Reedijk & Kossmann zeggen gewoon 'raarder en raarder', waar niks raars aan is. Matsier schreef: 'vreemderder en vreemderder'. Hier is 1899 het beste. Matsier vertaalt het Engelse vegetable met groente. Maar het werd hier gebruikt in de spelletjes-formule dier-plantaardig of mineraal, en daarom hadden Kossmann en Reedijk (in die volgorde staan ze op de omslag) gelijk met de vertaling plant.

De ware test bij elke Alice-vertaler zit hem in de vertalingen van de nonsens-gedichten, die vaak parodieën op Engelse gedichten zijn. Zo is het onzinnige gedicht dat Alice aan de Rups voordraagt 'You are old, Father William', the young man said een parafrase van 'You are old, father William' the young man cried van William Southey (1774-1843), dat door Bilderdijk werd vertaald in Oud zijt gij Paai Witbol sprak laatstmaal een knaap. Die vertaling lijkt zelf al een parodie, zoals je bij Bilderdijk vaker denkt. Kossmann en Reedijk hebben die Nederlandse vertaling als basis genomen voor hun 'Oud zijt gij Paai Witbol' sprak laatstmaal een knaap. Matsier gaat direct uit het Engels naar: 'U wordt oud, pa, merkte de jongeling op'.

Maar het kampioenschap voor elke vertaler uit het Engels is natuurlijk Jabberwocky. Behalve de twee vertalingen uit de Spiegel-boeken is er ook een vertaling van dat gedicht door de NOS-vertaler Ab Westervaarder (die het voor een aflevering van de Muppets maakte), opgeknapt door René Kurpershoek, en afgedrukt in de Tweede Ronde van lente 1982. Ik geef hierbij de drie vertalingen zodat u zelf kunt oordelen. Naar mijn smaak verhouden de vertalingen zich als 49 : 82 : 94. Hoezee Hoezot is toch heel wat beter dan O heerlijkheid, fantabeltijd, maar nog weergalozer vind ik Kaneel! Kanaal! als vertaling van Carrolls even idiote Callooh! Callay!

De jabberwock zelf (Duits Jammerwoch, Latijn Gaberbocchus, Frans Jaseroque) is in het Nederlands van 1947 Wauwelwok, in 1982 Krakelwok en nu Koeterwaal. Maar Koeterwaals is een bestaand Nederlands woord. Is de vertaling dus wel onzinnig genoeg? In de meer dan een eeuw tijd sinds het verschijnen van Achter de Spiegel is echter het woord Jabberwocky ook bijna gewoon Engels geworden voor: onzin-tekst. In dat opzicht is Koeterwaals dus equivalent. Het is een bevestiging te meer dat de nieuwe vertaling: meer voor de algemene lezer, jong of oud, is dan alleen voor het kind.

Elke beschaafde taal verdient om elke halve eeuw een nieuwe Alice-vertaling te krijgen. Alleen de Engelse lezers moeten dit genoegen missen. De vertaling van Nicolaas Matsier zal het zeker tot 2044 uithouden en ik vind het jammer dat ik de nog weergalozer vertaling van dat jaar niet zal kunnen lezen.

Koeterwaal

Het schieuwert en de glappe muik Graffelt zich in de vijchten Maar heel sloef was de rontelguik, En strave woelen krijgten. 'Hoed voor de Koeterwaal je, zoon! Zijn scherp gebit, zijn reuzenzwaai! Vermijd het Dubdubdier, verschoon De glurieuze Beffesnaai! Hij nam zijn worpel zwaard ter hand En speurde bij de Plingplongboom, Maar niemand bood hem tegenstand, En zo stond hij in kroom In ruffig denken trof hem daar De Koeterwaal, met vlammend oog, Die zwingend door het groene vlaar Hem worvelend bevloog' Daar ging zijn zwaard: van hup en hop, Van zig en zag en zoef! Dood bleef het monster - en de kop Keek wel een beetje droef. 'Is hij ontzield, de Koeterwaal? Werp aan mijn borst u, lieve deugd! O kostbaarlijke dag! Kaneel! Kanaal! Hij gnuivelde van vreugd. Het schieuwert en de glappe muik Graffelt zich in de vijchten: Maar heel sloef was de rontelguik, En strave woelen krijgten.

Vertaling: Nicolaas Matsier, 1994.

Krakelwok

't Was bradig en de slijp'le torfs Driltolden op de wijde weep: Misbrozig stonden borogorfs, 't Verdwoolde grasvark schreep. 'Mijn zoon, vrees steeds de Krakelwok! Zijn kakement, zijn grepe klauw! Vrees ook de Jubjub-vlerkenbrok, De gritse Bandjegauw!' Hij nam 't vorpalen zwaard ter hand: Lang zocht hij naar het manxaam vod - Toen, rustend bij de Ploemploemplant, Bepeinsde hij zijn lot. Zo, nijvig peinzend, stond hij daar, Toen Krakelwok, zijn oog vol vlam, Door het rapuinhout blaaide, zwaar Burbelend waar hij kwam! Hup één! Hup twee! Het scherp vorpaal Hieuw kriskras en met luid gedruis! Het beest lag dood; hij, galomfaal. Reed met de kop naar huis. 'Hebt gij de Krakelwok geveld? O heugle dag! Hoezee! Hoezot! Omhels mij, zoonlief, brale held!' Hij gnorde van genot. 't Was bradig en de slijp'le torfs Driltolden op de wijde weep: Misbrozig stonden borogorfs. 't Verdwoolde graswark schreep.

Vertaling: Ab Westervaarder, 1982.

Wauwelwok

't Wier bradig, en de spiramants Bedroorden slendig in het zwiets: Hoe klarm waren de ooiefants, Bij 't bluifen der beriets. Pas op de Wauwelwok, mijn kind! Zo scherp getand, van klauw zo wreed! Zorg dat Tsjoep-Tsjoep je nimmer vindt Vermijd de Barbeleet. Hij nam zijn gnijpend zwaard ter hand: Lang zocht hij naar den aarts-schavoest Maar nam toen rust in lommers lust Op een tumtumboomknoest. En toen hij zat in diep gedenk, Kwam Wauwelwok met vlammend oog, Dwars door het bos met zwalpse zwenk, Sluw borbelend wijl hij vloog. Eén, twee! Hup twee. En door en door Ging kler de kling toen krissekruis. Hij sloeg hem dood en blodd'rig rood Bracht hij het tronie thuis. Hebt gij versnaggeld Wauwelwok? Kom aan mijn hart, o jokkejeugd! O, heerlijkheid, fantabeltijd! Hij knorkelde van vreugd. 't Wier bradig en de spiramants, Bedroorden slendig in het zwiets: Hoe klarm waren de ooiefants, Bij 't bluifen der beriets.

Vertaling: Alfred Kossmann & C. Reedijk, 1947.