Op zoek naar het nest; De literaire carrière van staatssecretaris Aad Nuis

“Politici worden gewantrouwd, een enkele keer bewonderd, maar ze blijven van een ander soort,” schreef Aad Nuis in de tijd dat hij nog literair recensent was. Zijn hele carrière heeft de nieuwe staatssecretaris van cultuur te maken gehad met de moeizame verhouding tussen politiek en literatuur. Van een navolger van Ter Braak, die leefde voor de literatuur, ontwikkelde hij zich sinds de jaren zeventig tot een mild criticus voor wie politieke betrokkenheid steeds belangrijker werd.

Literatuur: Menno ter Braak: Politicus zonder Partij. Uitg. G.A. van Oorschot, 1986 (1934). Aad Nuis: Twee schelven hooi. Uitg. Meulenhoff, 1968. Aad Nuis: Boeken. Uitg. Meulenhoff, 1978. Aad Nuis: Een stem in je hoofd. Uitg. Aula, 1989.

In 1968 publiceerde Aad Nuis (toen 35) een essaybundel, die hij de opvallende titel Twee schelven hooi meegaf. In de jaren daarvoor was Nuis bekend geworden als criticus en schrijver voor bladen als Avenue, Tirade, het Parool en de NRC; tegelijkertijd was hij een van de prominente leden van het pas-opgerichte D'66 en had hij zich, net als zijn tijdgenoten Mulisch, Donner en Nooteboom, actief aan de zijde van de provo's geschaard. Over die periode had hij twee jaar daarvoor het vlugschrift Wat is er gebeurd in Amsterdam? gepubliceerd, door de kritiek beschreven als de beschaafde variant op Mulisch' 'direct woedende' Bericht aan de rattenkoning.

In Twee schelven hooi kwamen Nuis' literaire en politieke preoccupaties opnieuw naar voren. De ene helft van het boek bestond uit politiek-sociologische beschouwingen, de andere uit poëziekritieken, waarmee het een redelijk beeld leek te geven van Nuis' voorkeuren. Het vreemde aan Twee schelven hooi was dan ook de titel: die suggereerde dat de schrijver, als een ezel die niet tussen twee schelven hooi kan kiezen, eigenlijk ontevreden was met zijn dualisme en daarom probeerde zijn twee voorkeuren binnen één hooiberg te verenigen. Wie het boek echter las kon onmiddellijk constateren dat Nuis daar niet in was geslaagd. De titel leek niet meer dan een alibi om die verschillende stukken bij elkaar te zetten - op de slotopmerking op pagina 173 na, kwam Nuis niet meer op het keuzeprobleem terug. “Of ik met het bijeenbrengen van deze heterogene verzameling van twee wallen eet of tussen twee stoelen val, zal de lezer moeten uitmaken. Is de variatie eigenlijk wel zo groot? Als ik minder naar de onderwerpen kijk dan naar de manier waarop ik erover geschreven heb, ga ik eraan twijfelen.” Het was een vreemde uitweg: Nuis die probeerde zijn keuzeprobleem op te lossen door de twee schelven op één grote hoop te vegen.

Leest

Door zijn hele carrière heen heeft staatssecretaris van cultuur Aad Nuis moeite gehad met zijn literair-politieke dualisme. De oorzaak daarvan zou kunnen liggen in de 'schoenmaker blijf bij je leest'-achtige mentaliteit die Nederland niet vreemd is, maar waarschijnlijker is dat Nuis het gevoel heeft dat hij zich in twee werelden begeeft die elkaar niet verdragen. “Politici worden gewantrouwd, een enkele keer bewonderd, maar ze blijven van een ander soort,” schreef hij in 1980 bijvoorbeeld in Bzzlletin, en daarbij werden met de 'wantrouwigen' 'de schrijvers' bedoeld.

Ondanks dat wantrouwen werd het aantreden van Nuis als staatssecretaris voor cultuur in de kunstwereld met relatief groot enthousiasme begroet. Er was weliswaar verbolgenheid over het feit dat cultuur slechts een staatssecretaris was toegewezen, daar stond tegenover dat er na Brinkman en D'Ancona eindelijk weer eens bewindsman aantrad die zelf uit het culturele leven afkomstig was en voorzitter van de vaste kamercommissie voor cultuur was geweest. Dat Nuis er veel aan is gelegen die positieve indruk te bestendigen bleek uit zijn reactie op een artikel van Kees Fens in de Volkskrant waarin de hoogleraar Nuis, op dat moment nog kamerlid, aanviel op zijn reorganisatieplannen voor het hoger onderwijs. “Ik begrijp absoluut niet wat jij in de politiek moet heeft Fens me wel eens gezegd tijdens één van onze collegiale gesprekken, die gewoonlijk hachelijk verliepen omdat we allebei houden van boeken, poëzie en andere luxe kennis. Politiek, dat was duidelijk, was hem voor hem een volstrekt verwerpelijk, van leugens en bedrog aan elklaar hangend bedrijf waar hij niets mee te maken wilde hebben.” 'Collegiale gesprekken', het 'allebei houden van boeken, poëzie en andere luxe kennis;' Nuis leek het politiek achterdochtige deel van de culturele wereld - waaronder Fens - alvast gerust te willen stellen: hij mocht dan een politicus zijn, hij hoorde eigenlijk nog steeds bij de cultuur.

Krant

Dat Aad Nuis ooit nog eens Nederlands hoogste cultuur-bestuurder zou worden, is lang niet erg waarschijnlijk geweest. Dat lag niet alleen aan de marginale positie die zijn partij bijna vijftien jaar innam, hij leek er zelf ook weinig zin in te hebben. Want Nuis bleef liever schrijven, zoals hij zelf ook regelmatig toegaf. “Schrijven ervaar ik misschien wel als bevredigender dan het politieke werk,” zei hij in 1986 tegenover De Tijd. “Je schrijft een stukje voor de krant, je werkt er hard aan en de volgende dag staat het erin. Het is af en gedaan, het bestaat en zal er altijd zijn.” Literaire kritiek leek voor Nuis de hoofdzaak en politiek deed hij er maar zo'n beetje bij - dat was in ieder geval de suggestie die hij tot het midden van de jaren tachtig wekte.

Dat nam niet weg dat het verloop van Nuis' literaire en politieke carrière aanvankelijk redelijk gelijk op gingen. Als student was hij begonnen aan de faculteit politieke en sociale wetenschappen en al op zijn 22-ste kwam hij bij het studentenblad Propria Cures terecht. Zoals veel van zijn leeftijdgenoten werd Nuis een trouw volgeling van Eddy du Perron en Menno ter Braak, het leidende duo van het literaire tijdschrift Forum (1932-1936). De Forum-auteurs hadden altijd fanatiek gestreden tegen principes als l'art pour l'art en poésie pure en in hun literaire beschouwing de nadruk gelegd op de 'persoonlijkheid' van de schrijver, die zij zo duidelijk mogelijk uit een literair werk naar voren wilden zien komen. Ondanks het overlijden van Ter Braak en Du Perron in 1940 had het tijdschrift een lange schaduw over het literaire leven van na de oorlog geworpen. Tijdens een collegereeks die Nuis in 1989 gaf als gastcriticus aan de Universiteit van Groningen, zou hij daarover opmerken: “Zelf heb ik als leergierige scholier al druk afgekeken in de Cahiers van een lezer van Du Perron, de kronieken van Ter Braak, de verzamelde besprekingen van Marsman.” Even daarvoor had hij al gezegd dat “Ter Braak toch een soort oervader voor ons allen (is).”

In de jaren vijftig trad Nuis nadrukkelijk in het spoor van de criticus Hans Gomperts en de redacteuren van het tijdschrift Libertinage, de erflaters van Forum, die in hun kritieken nadrukkelijk schermden met Forum-termen als 'persoonlijkheid', 'epigonisme', 'humor' en 'stijl'. Op 23-jarige leeftijd was hij dan ook al een criticus die zonder veel schroom zijn oordeel velde: “Rodenko schrijft slecht; dat zou allemaal zo erg nog niet zijn als hij bovendien niet zo slecht dacht. Tussen de regels: het is de ergste verzameling wartaal die ik het laatste jaar onder ogen heb gehad. In een met de voet geschreven klerkenstijl, met dodelijke ernst, worden de platitudes en onverteerde resten van populair wetenschappelijke verhandelingen opgestapeld tot bouwwerken van domheid.” (Propria Cures, juli 1956.)

Voor Nuis bleef vooral 'stijl' een belangrijk onderscheidingskenmerk. Daarin had hij ook recht van spreken, want zelf schreef hij in mooi, helder en hoogstens wat kabbelend proza. Maar zoals hij zijn Groningse studenten later zou voorhouden: “Een goede recensie is niet compleet zonder een poging tot karakteristiek van de stijl, want daarmee wordt iets wezenlijks getypeerd: de stem van de schrijver. Het gaat er mij niet zozeer om of iets goed is geschreven, maar of het goed is gezegd” - en daarin klinkt het motto le style c'est l'homme door, waarmee Du Perron in de jaren dertig zijn aartsvijand Dirk Coster zo hardhandig bestreden had.

Clichés

In de loop van de jaren zestig begon Nuis' gedachtengoed steeds verder van zijn 'oervaders' verwijderd te raken. Daarin was hij overigens niet de enige: in de eerste twintig jaar na de oorlog waren de stellingen van Ter Braak en Du Perron steeds meer uitgegroeid tot uitgeholde clichés die door de uitgebreide schare volgelingen werden gebruikt op ieder moment dat ze van pas kwamen. De belangrijkste vergissing die deze critici daarbij maakten, was dat ze vergaten (of misschien zelfs niet inzagen) dat het ideeëngoed van Ter Braak helemaal geen sluitende theorie was (terwijl Du Perrons theorie nauwelijks verder ging dan 'ik en de literatuur voor alles').

Ter Braaks theorie was altijd als een paradox geweest, een theorie die niets en niemand ergens op vast wilde pinnen. Over politiek schreef hij bijvoorbeeld heel anders dan van een afgewogen intellectueel als Ter Braak verwacht mocht worden: 'de enige politicus, die die naam werkelijk verdient, is voor mij de man, wiens hypocrisie sterk genoeg is om alleen zijn stemvee en niet ook hemzelf te misleiden omtrent het karakter van woorden, die hij in de mond neemt; de man wiens temperament het politieke spel nodig heeft en dus ook de bedrieglijke klank der verkiezingstermen, de man die de 'ideologen' uitlacht om hun kale pretenties en weet, dat men ideeën gebruikt in dienst van de macht.” Daar voegde Ter Braak echter onmiddellijk aan toe dat hij met evenveel gemak het omgekeerde kon beweren: “Tot mijn politiek behoort dus een politieke karakterloosheid, die zich met geen enkele opvatting van het partijwezen verdraagt.”

De politieke en de literaire carrières van Aad Nuis ontwikkelden zich gestaag. In 1958 studeerde hij af in de Politieke en Sociale Wetenschappen. Vervolgens vervulde hij zijn dienstplicht op Nieuw Guinea, deed sociologisch onderzoek op Jamaica en werd aan de Universiteit van Amsterdam achtereenvolgens wetenschappelijk medewerker bij polemologie en politieke wetenschappen. Daarnaast bleef hij kritieken schrijven, en met steeds meer succes. Aanvankelijk richtte hij zich daarbij vooral op poëzie, maar later kwam daar steeds meer proza bij.

In die hoedanigheid ontpopte hij zich langzaam tot een van de belangrijkste vertegenwoordigers van wat in de jaren zestig als de Forum-school werd gezien, met een voorkeur voor helder geconstrueerd proza waarin de 'persoonlijkheid' voorop stond, en weinig affiniteit met 'vormexperimenten'. Dat Nuis de Vijfigers waardeerde leek daarom tamelijk verrassend, maar die vielen nog wel onder het kopje persoonlijkheden te scharen. Experimentelere stromingen als Merlyn (met J.J. Oversteegen en een toen nog structuralistische Kees Fens) en later De Revisor (met Kooijman, Matsier en Kellendonk) wees hij dan ook voor een groot deel af.

Weerbarstige stijl

Dat afwijzen gebeurde echter met steeds meer mitsen en maren: meer dan eens vertoonde Nuis de neiging om een boek eerst voor een groot deel af te breken om vervolgens op te merken dat hij het toch heel 'aardig' of 'leesbaar' had gevonden. “Ik (moet) zeggen dat Vogelaar ondanks zijn stugge, weerbarstige stijl, het vaak gedwongen en ontleende karakter van zijn thema's en zijn vormvernieuwingen, en in weerwil van de logge leerstellingen van zijn uitgangspunten voor mij steeds een boeiend en belangwekkend schrijver is geweest,” schreef hij bijvoorbeeld in de Haagse Post. Zo groeide Nuis langzaam uit tot een milde oom die met intelligentie en warmte bij een knapperend haardvuur over het boek van de week kon vertellen, een voorlichter in de traditie van L.Th. Lehmann en Antonie Donker en geen fanaticus meer voor wie literatuur een zaak van leven of dood was, zoals Ter Braak, Du Perron en misschien ook Nuis zelf in de jaren vijftig.

In principe was daar weinig op aan te merken, alleen zou het voor een door Forum geïnspireerd criticus net zoiets hebben moeten betekenen als Joop den Uyl die plotseling lid van de CHU was geworden. Dat niemand hem erop aanviel kwam vermoedelijk omdat Ter Braak en Du Perron, onder invloed van Merlyn en het 'nieuwe realisme', voor een groot deel uit het zicht verdwenen waren, en de laatst overgebleven Forumianen als Carel Peeters het gedachtengoed van Forum op een heel eigen manier waren gaan interpreteren. Maar Nuis werd er populair mee. Nadat hij in 1975 als vaste criticus van de Haagse Post was aangesteld en wekelijks een twee pagina's lange recensie begon te schrijven, kreeg hij al spoedig de naam een van de beste critici van Nederland te zijn.

Nuis presenteerde zich in deze jaren nog steeds voornamelijk als literair criticus, al stak hij niet onder stoelen of banken dat hij voor D'66 was benoemd tot lid van de Provinciale Staten van Gelderland. Wat ondertussen nauwelijks opviel, was dat hij zijn politieke en de literaire hooischelven langzaam in elkaar was gaan schuiven. Voor een oud-Terbraakiaan moet dat een vreemde ervaring zijn geweest; het hoefde dan ook weinig verbazing te wekken dat het met enige schroom gebeurde. De rechtvaardiging was echter duidelijk; die werd al beschreven in het uit 1963 stammende korte 'opstel' 'Een jaar na terugkeer', dat in Twee schelven hooi werd gepubliceerd. Daarin beschreef Nuis op schuchtere wijze zijn gevoelens ten aanzien van zijn diensttijd in Nieuw Guinea en legde meteen, naar later zou blijken, zijn politieke beginselverklaring af: “Sinds Nieuw Guinea ben ik een mier die zijn nest kwijt is, maar die zich probeert te gedragen alsof er niets aan de hand is.” En: “De vanzelfsprekende vereenzelviging met het standpunt van de samenleving, met alle kritiek die men daarbij op bepaalde verschijnselen erin hebben kan, gaat me niet meer overtuigend af. (-) Ik blijf geloven dat het een plicht is zo redelijk mogelijk te zijn bij het denken over politiek, dat het verkeerd is hysterische angst- en haatgevoelens bij zich toe te laten over Duitsers, Chinezen, Amerikanen, Hollanders, communisten, militairen, blanken, negers of Elsevierlezers, dat goede zaken verdedigd moeten worden waar de gelegenheid zich voordoet, dat groter en kleiner kwaad onderscheiden moet worden, ook als dat slecht is voor de zenuwen.”

Mentale narcotica

Wie Twee schelven hooi kritisch herlas, kon vervolgens vrij eenvoudig vaststellen dat Nuis zich vanaf het midden van de jaren zestig steeds minder druk maakte om zuiver literaire zaken. De scherpe aanvallen die hij in de jaren vijftig nog op schrijvers als Paul Rodenko losliet vielen een schrijver nog maar zelden te beurt - behalve als die schrijver zich op politiek terrein begaf. Dat gebeurde echter niet vaak, want zoals Nuis in 1980 zelf constateerde ligt de kracht van Nederlandse schrijvers niet 'in zorgvuldige en gedetailleerde beschrijvingen van de sociale werkelijkheid.' Wanneer iemand het echter toch probeerde op een Nuis onwelgevallige manier, kon die persoon onmiddellijk op een venijnige uithaal rekenen: 'Ik beschouw de sekte waar Anja Meulenbelt voor preekt als geen haar beter dan andere handelaars in mentale narcotica.'

Kellendonk

Vanaf het midden van de jaren zestig begon zijn politieke betrokkenheid op de achtergrond een steeds belangrijker element in het kritisch oeuvre van Aad Nuis te vormen - op de achtergrond omdat politiek en literatuur immers nog steeds twee werelden waren waarvan hij dacht dat ze elkaar volgens de buitenwereld niet verdroegen. Over literatuur zonder politieke of maatschappelijke betekenis - verreweg het grootste gedeelte van de boeken die hij bespreekt - maakte hij zich nog maar zelden kwaad; die kwam al snel in aanmerking voor de kwalificatie 'aardig' of 'leesbaar'. Toen Frans Kellendonk echter Mystiek Lichaam publiceerde en Nuis daarin antisemitische tendensen meende te ontdekken, kwam hij onmiddellijk in actie en schreef een verontruste, vernietigende recensie waarin hij termen als 'een genadeloze kern van onverdraagzaamheid', 'geborneerde opmerkingen over homosexualiteit', en 'een waas van weliswaar dubbel en driedubbel geïroniseerd, maar onmiskenbaar antisemitisme', niet schuwde. Het verklaarde ook zijn fanatieke houding in de Weinreb-affaire, waarin hij, ondanks het zich steeds hoger opstapelende bewijs dat Weinreb in de oorlog inderdaad niet volledig integer had gehandeld, zich bleef vastbijten in zijn eigen gelijk.

Dat literatuur, en ook Ter Braak en Du Perron, voor Nuis steeds meer op de achtergrond raakten, maar niettemin belangrijk voor hem bleven, bleek wel uit het interview dat hij in 1981 gaf aan Max Pam. Daarin deed Nuis, ondertussen aspirant-kandidaat kamerlid voor D'66, onder meer de legendarische uitspraak: “Van Du Perron weet ik het niet, maar ik denk dat Ter Braak, als hij nog geleefd had, lid zou zijn geworden van D'66.” Tegen de achtergrond van Ter Braaks ideeën in Politicus zonder partij was die uitspraak bijna vertederend in zijn onnozelheid, en kwam Nuis dan ook op veel hoon te staan. Maar tegelijkertijd maakte hij er twee dingen mee duidelijk: dat zijn beeld van het gedachtengoed van Ter Braak en Du Perron sterk vertekend was, maar ook dat hij zich nog steeds bij de literatuur betrokken voelde, als een zoon die het ouderlijk huis verlaten heeft maar op zoek blijft naar de instemming van zijn moeder. Uit zijn reactie op Fens' aanval van twee weken geleden blijkt wel dat die gevoeligheid nog niet is verdwenen. Als staatssecretaris heeft hij die waarschijnlijk nog hard nodig.