'Nordholt moet kiezen: korpschef blijven of niet'

ROTTERDAM, 2 SEPT. Het was een klein, onbekend maar invloedrijk gezelschap dat zich er vorig jaar december over boog. Ze waren met zijn drieën. J. Brand, korpschef in Den Haag en voorzitter van de Raad van Hoofdcommissarissen, E. d'Hondt, burgemeester van Nijmegen en voorzitter van het Korpsbeheerdersberaad en J. Holthuis, hoofdofficier van justitie in Zwolle en voorzitter van de kring van hoofdofficieren. Gezamenlijk wisselden ze van gedachten over onder meer het vraagstuk dat de Nederlandse politie, vooral door toedoen van de Amsterdamse hoofdcommissaris Nordholt, nu al jaren in spanning houdt. Hoe ver mag een politiechef gaan in openbare kritiek op het bestuur?

Ze kwamen tot werkafspraken, vertelt D'Hondt, mede in het licht van de nieuwe organisatie van de politie, waarbij 25 regiokorpsen worden beheerd door burgemeesters en hoofdofficieren. Voortaan zouden de korpschefs zich daarom beperken tot politie-professionele zaken, de hoofdofficieren tot juridisch-strafrechtelijke, terwijl de korpsbeheerders de hoofdmoot van bestuurlijk-politieke uitspraken voor hun rekening zouden nemen. “Dat is het ideaal”, zegt D'Hondt. “We hebben ook wel gezien dat je die situatie niet kunt afdwingen. Vandaar dat we er de afspraak aan hebben toegevoegd dat we als voorzitters publicitaire tegenwind geven als een van de politiechefs, hoofdofficieren of burgemeesters deze afspraak niet nakomt. Dan laten we ieder voor zich een ander geluid horen, zodat het gezag van het individu vanzelf afneemt.”

Dat is volgens D'Hondt ook precies aan de gang: het gezag van Nordholt, die de afspraken met zijn burgemeester Patijn vorig weekeinde opnieuw overtrad, loopt naar zijn mening steeds meer deuken op. “Het is héél vervelend dat Nordholt doorgaat. Maar aan de andere kant zie je dat hij als het ware zijn eigen positie ondermijnt. Er ontstaat nu in de Kamer, de politiek en zijn achterban discussie over hèm in plaats van over zijn uitspraken. Als hij zo doorgaat trekt op den duur niemand zich meer iets aan van zijn opvattingen, en ik moet er toch nog steeds van uitgaan dat het hem dààr om te doen is”.

De hoofdcommissaris van Amsterdam is evenwel de uitzondering die de regel bevestigt. “Nordholt”, meent D'Hondt, “moet nu eindelijk eens kiezen: korpschef blijven of niet. Als hij korpschef wil zijn moet hij zich onderwerpen aan het gezag. Nu tast hij het gezag van Patijn aan en daarmee is niemand gediend. Het eindigt in conflicten. Hij kan nog zoveel gelijk hebben, de korpsbeheerder is degene die zich uitspreekt over bestuurlijk-politieke zaken. Daaraan is de korpschef ondergeschikt. Als hij zich daar niet bij neerlegt, heeft hij een groot probleem.”

De stappen die Patijn en de Amsterdamse procureur-generaal Van Randwijck de afgelopen dagen zetten om de ruimte van Nordholt in te perken analyseert D'Hondt als “een escalatie van de verhoudingen”. Maar het is onderhand wel mooi geweest. “De maat is vol. Dit duurt nu al een half jaar, er moet een keer een eind aankomen. We zijn zeer coulant in het openbaar bestuur, maar het houdt een keer op. Je kan niet blijven zeggen: zand erover. Als je hier nog erg lang mee doorgaat heeft niemand nog vertrouwen in het gezag van de politie, omdat de politie zèlf geen gezag toestaat.”

Ook de Haagse politiechef Brand ziet de escalatie van de laatste dagen met lede ogen aan. Hij kiest evenwel niet zonder meer partij voor zijn collega Nordholt. De ingreep van Van Randwijck vindt hij terecht. “Ik begrijp heel goed dat de procureur-generaal bezwaar maakt tegen aanhoudende uitspraken van Nordholt met kritiek op de gehanteerde werkmethoden. Het OM heeft er last van, want officieren van justitie worden erdoor geconfronteerd met advocaten van verdachten die zand in de machine strooien. Op die manier schieten wij vanuit het apparaat de verdediging te hulp in plaats van het OM. Dat kan nooit de bedoeling van openbare uitspraken van politiechefs zijn.”

Brand meent overigens dat politiechefs wel hun “signaalfunctie” moeten houden als het gaat om problemen die de politie heeft met beleid van bestuurders. “Als frontorganisatie wordt de politie geconfronteerd met symptoombestrijding. De gevolgen van werkloosheid en een gebrek aan goed onderwijs komen zo op ons bord, en daar moeten we iets over kunnen zeggen. Maar je moet het wel van te voren afstemmen met de korpsbeheerder.” Dat soort zaken moeten niet worden geregeld via “strakke richtlijnen” als in Amsterdam, zegt Brand. “Als je in die situatie terechtkomt zit het al goed fout.”

De voorzitter van de bestuurskamer van de rechtbank in Alkmaar, mr. G.J.A. van Unnik, denkt overigens dat het “lastig” zal zijn voor Patijn om Nordholt een spreekverbod op te leggen “te meer daar de hoofdcommissaris zich goed bewust lijkt van zijn rechten”. De Ambtenarenwet maakt het mogelijk dat het grondrecht van de vrijheid van meningsuiting voor ambtenaren wordt beperkt. Hij mag zijn dienstonderdeel niet schaden. Van Unnik wijst er evenwel op dat bij Nordholt een rol speelt dat de hoofdcommissaris, onder burgemeester Patijns voorganger Van Thijn, jarenlang ongestoord zijn mening over van alles en nog wat heeft kunnen geven.

“Het is voor een burgemeester dan moeilijk om opeens te zeggen ho, ho dat mag je niet doen. Nordholt kan aanspraak maken op gewekte verwachtingen dat hij zich vrijelijk mag uiten. Dat is een van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur die dienen te worden nageleefd”.

Volgens Van Unnik is het “buitensporig moeilijk” om in algemene zin normen aan te geven wat een ambtenaar wel en niet publiekelijk mag zeggen. Het gaat steeds om de casuïstiek en dan vergt de letterlijke tekst die Nordholt dit weekeinde in interviews heeft gebezigd een belangrijke rol. “De vraag is dan of Nordholt nu iets heeft gezegd dat erger is dan hij eerder heeft gedaan. Ik kreeg niet de indruk”, aldus de bestuursrechter.

Overigens is het ook niet zo dat Patijn in alle opzichten gebonden zou zijn aan de wijze van opereren van zijn voorganger. “Nieuwe bezems vegen schoon. Oud gedrag dat vroeger werd getolereerd kan met maatregelen worden tegengegaan. Een burgemeester is niet in alle gevallen gebonden aan besluiten van zijn voorganger”, zegt Van Unnik.

Saillant detail is dat in de zaak die het meeste verwantschap toont met het huidige conflict Van Randwijck ook een rol speelde. In de jaren zeventig worstelden justitie en bestuur met het eigenzinnige optreden van de Rotterdamse pacifistische politieman Bouwe Kalma die er als PSP-lid een hobby van maakte de grenzen van de ambtelijke vrijheid van meningsuiting te verkennen.

In 1977 gaf de toenmalige procureur-generaal in Den Haag, mr. W.A. baron van der Feltz, aan burgemeester Van der Louw opdracht Kalma te schorsen omdat hij in een demonstratie had meegelopen. Kalma werd uiteindelijk berispt. Er volgde een hevig gevecht tussen Kalma en Van der Feltz die zich liet assisteren door zijn toenmalige advocaat-generaal Van Randwijck. Justitie won want Kalma nam uiteindelijk zelf ontslag.