Naar de rennen

De mooiste weddenschap die ik ooit zag ging over een voetbalwedstrijd. De twee tegenstanders waren een jongen van een jaar of twaalf en een man van vijfenzestig. De jongen legde tweemaal elf lucifers op tafel. Het ene elftal had hij blauw geverfd. Je kreeg werkelijk het gevoel dat er twee clubs in verschillende shirts tegenover elkaar stonden.

Hij legde nog een propje papier in het midden. De wedstrijd kon beginnen. De inzet was een rijksdaalder. Zo'n wagenwiel lag groot en blinkend achter ieder doel. Dat was ook van lucifers gemaakt. De jongen had de wedstrijd voorgesteld. De man vroeg wat de regels waren. Wat moest hij met z'n lucifers doen? Zijn tegenstander zei dat hij het zo zou uitleggen. Eerst wilde hij weten hoeveel doelpunten de man dacht te maken.

'Zes', zei de man.

'Dan heb ik gewonnen, want ik maak er zeven', zei de jongen en hij greep vlug de rijksdaalder van de ander en stak die in zijn zak.

Intussen ben jij allang naar de rennen gegaan. Ik zie je hoofd al heen en weer deinen, daar op de derde rij, tussen het publiek. Op welk paard heb je gewed? Nummer acht natuurlijk, die ligt voorop of misschien wel op nummer zes of nummer vier, kijk eens hoe die komen opzetten. De jockey van nummer twee kun je niet eens zien, zo snel gaat hij. En wat dacht je van nummer tien, zoekt die niet heel slim de vrijheid? Hij zwenkt niet naar het drukke midden, maar draaft naar links om nummer acht op een onverwachte plek voorbij te kunnen gaan.

Het gaat vliegensvlug. Maar als ik langer kijk zie ik iets dat jou allang moet zijn opgevallen. De jongen van de weddenschap heeft deze race misschien ook verzonnen. De paarden bewegen wel, maar ze blijven op dezelfde afstand van elkaar.

Ineens wordt het duidelijk. De baan beweegt heel snel in de rondte, de paarden komen geen centimeter vooruit. De jockeys kunnen er niets aan veranderen, hoe vlug ze hun schouders en rug ook op en neer laten gaan. Geen paard zal ooit winnen.