Muisjes en mensjes

Éva Janikovszky en László Réber: Moeders willen blij zijn! Vert. Muci Blom-Kocsis en Gerda Mensink-van den Boom. Uitg. Manó, Prijs ƒ 19,95

Janosch: Mamma, waar komen de kindjes vandaan? Vert. Suzanne Braam. Uitg. Van Holkema en Warendorf. Prijs ƒ 22,50.

John Burningham: Hendriks. Vert. Martine Schaap. Uitg. Van Holkema en Warendorf, prijs ƒ 25,-

Veel eenvoudiger kunnen tekeningen niet worden en teksten ook niet. We zouden het zelf kunnen, ware het niet dat we het niet kunnen. Nu lijkt het gewoon, maar het is geweldig.

Éva Janikovszky vertelt hoe 'ik' (iets kleins in bruine broek en rode trui) graag iedereen blij wil maken: zijn vader, moeder, zusje, opa en oma. Toen ik klein was dacht ik dat zij met andere dingen blij waren dan nu. Ik dacht bij voorbeeld: “dat mijn moeder blij was als ik me in de kast verstopte. En zij mij vond.” Vader moest blij zijn met lekker vroeg gewekt worden op zondag, opa met nieuwe bloemen in de tuin - maar nu weet hij dat ouders en grootouders met heel ander dingen blij zijn. Dingen als lief je bordje leegeten enzo. Saaie dingen. Maar toch wil hij iedereen blij maken en hij gaat er tegenaan: geen natte voeten in de badkamer voor opa, lief tandenpoetsen voor oma, moeder om een extra kusje vragen. “Het is niet gemakkelijk om iedereen op de hele wereld blij te maken. Maar nu ben ik groot. Nu weet ik dat het kan!” juicht ik tot slot. Dat is niet braaf, al kan het zo lijken. Het is grappig en innemend en het rijtje stijve blije mensen waar het boek mee besluit is ook innemend. Zonder de tekeningen van László Réber zou het niet zo'n geweldig boekje zijn, maar zonder de tekst van Éva Janikovszky ook niet - zij zijn het ideale kinderboekjespaar. Zij hebben mij ook blij gemaakt. Zij weten dat het kan!

Weer eens van die rare slordige dieren van Janosch. Deze keer zijn het muizen en ze wonen heel mooi aan de rand van een korenveld. Bij hen woont boer Rustenburg en zijn gezin, wordt er verteld. Logisch. In het muizenperspectief woont de muis niet bij de mens maar de mens bij de muis.

Kiki, een intelligent schoolgaand muisje, wil wel eens weten waar de kindjes vandaan komen en dat leidt tot een zeldzaam vrolijk voorlichtingsverhaal. Vader en moeder muis gaan 's avonds meteen aan de slag (“ze hadden heel veel zin”) en Kiki wordt de volgende dag onweerstaanaar cool omarmd en gekust door de geweldige mol Bas Nieuwenhuis (“Ik kan gaaf kussen, hè?”) Op school vertelt meester hoe kersen, kuikens en mensjes gemaakt worden en, zegt hij, bij muizen gaat het net zo als bij mensen alleen krijgen muizenmoeders wat meer kinderen tegelijk. Kiki en Bas Nieuwenhuis, die in de klas maar matig hebben opgelet omdat ze steeds zitten te zoenen gaan na afloop van de les nog een eindje het bos in “want liefdesparen wandelen graag”. De oplettende lezertjes hebben alles begrepen.

Natuurlijk willen kinderen een hond en natuurlijk willen ouders dat meestal niet zo graag. Honden kwijlen en viezen en blaffen en ze moeten uitgelaten worden - van honden heb je niks dan last. Ook de kinderen van het door John Burningham getekende gezin willen een hond en zij zeuren zoals kinderen dat doen en tenslotte strijken de ouders hun hand over het hart. “Maar zorg ervoor dat het een nette hond is. Eentje met een stamboom.” Vanzelfsprekend, tot hier toe gaat alles zoals een lezer dat verwacht, kiezen de kinderen geen nette hond want die honden zien er allemaal uit alsof iedereen ze wel zou willen hebben. Ze laten zich een hele oude maar reuze aardige aanwijzen en zo komen ze thuis met Hendriks. Meteen de volgende dag is Hendriks al weg.

Dan begint het verbazende gedeelte van het boek, waarin volkomen vanzelfsprekend de idiootste dingen worden verteld. Ik geloof dat alleen Engelsen dat zo kunnen. Hendriks komt terug, nog dezelfde dag, met een hutkoffer met zijn spulletjes. Hij bereidt een maaltijd. “Daarna trok hij een wit jasje aan en schepte het eten op.” “Terwijl ze zaten te eten speelde Hendriks een stukje op zijn viool.” Hendriks kan veel, en Hendriks is een huiselijk type. Hij is ook een held die bij brand de baby redt. Niet in zijn bek, zoals de gemiddelde hond dat zou aanpakken, maar via een net laddertje met de baby onder de arm. Dit alles in rare bibberige lijnen getekend, waarin de uitgestreken Hendriks fantastisch deftig afsteekt tegen het gastgezin. Wie niet lacht is gek.