Metriek, prostitutie en geldproblemen

“Janus Secundus is, zoals vrijwel niemand weet, de beroemdste Nederlandse dichter aller tijden.” Zevende deel van een rubriek over boeken die om onbegrijpelijke redenen in de ramsj zijn gegaan.

J.P.Guépin: De kunst van Janus Secundus. Uitg. Bert Bakker, 615 blz. Nog een beperkt aantal verkrijgbaar bij antiquariaat Van Gennep in Amsterdam voor ƒ 22,90.

Iedere lezer van deze bijlage kent, denk ik, de onverwachte vreugde die je vervult als je in een antiquariaat tegen een langgezocht, maar niet meer gewoon verkrijgbaar boek aanloopt. De aanschaf ervan gaat vergezeld van een lichte opwinding, die bij het kopen van een boek in een gewone winkel niet optreedt, en het wordt op een intensere wijze je 'eigendom'. Boekenliefhebbers kunnen bij elk antiquarisch verworven werk vertellen hoe en waar ze het bemachtigd hebben, waarbij de prijs (onwaarschijnlijk goedkoop of juist heel duur) de waarde van het bezit alleen maar verhoogt. Het gebruik van woorden als 'verwerven' en 'bemachtigen' geeft al aan dat het om iets bijzonders gaat.

Dit verschijnsel doet zich bij de ramsj niet voor, eerder het tegenovergestelde, hoewel de leek vaak denkt dat ramsj en antiquariaat hetzelfde zijn (het is natuurlijk ook verwarrend dat De Slegte beide in één winkel heeft gehuisvest). In de ramsj liggen tegenwoordig uitsluitend boeken die je twee jaar geleden voor het volle pond hebt gekocht (het woord ramsj is immers afgeleid van het Hebreeuws voor bedrog) of niet hebt gekocht, om dezelfde reden waarom je ze ook nu niet koopt. Als je een boek wilt hebben speelt geld geen rol: 'Eén keer niet uit eten gaan', schreef Gerrit Krol, 'en je kunt ieder boek kopen dat je hebben wilt'. Mensen die 'wel wachten tot het in de ramsj ligt', kopen überhaupt geen boeken, ook dan niet. Zo'n bij De Slegte of Van Gennep met een paar luizige tientjes winst meegenomen winkeldochter wordt ook thuis nooit een volwaardig deel van de bibliotheek; zo'n boek wordt niet gekoesterd en blijft voorgoed een arme bloedverwant tussen de andere.

Nu is dat niet altijd ten onrechte, maar ook boeken die voor de eeuwigheid bedoeld waren, kan dit lot treffen. Dat geldt per definitie voor poëzie, die maar zelden goed verkoopt en in alle gevallen tijd nodig heeft om zich te bewijzen. Ik ken een dichter wiens eerste bundel door zijn uitgever verramsjt werd op het moment dat zijn tweede bij dezelfde uitgever ter perse ging. De uitgever begeeft zich hier op een niveau van abstractie dat de poëzie nabijkomt.

Tot de boeken waarvan bij uitgave reeds vaststond dat er geen groot publiek voor zou zijn, behoort De Kunst van Janus Secundus van J.P. Guépin. Het verscheen in 1991 bij Bert Bakker, toen de uitgeverij in haar nadagen als zelfstandig bedrijf, onder David van het Reve en Michel Krielaars, probeerde de tijdgeest te trotseren door prachtige boeken te maken van hoog cultureel gehalte. Dat moest wel mis gaan.

Janus Secundus (1511-1536) is, zoals vrijwel niemand weet, de beroemdste Nederlandse dichter aller tijden, maar net als Erasmus, onze beroemdste prozaïst, schreef hij in het Latijn, wat zowel zijn roem als zijn onbekendheid verklaart. Hij werd geboren in Den Haag als Johannes Everaerts ('Secundus' omdat er een vroeggestorven broertje met dezelfde naam was geweest), studeerde in Frankrijk, werkte als secretaris van de aartsbisschop van Toledo in Spanje, en stierf op 24-jarige leeftijd in Saint-Amand. Zijn dichterlijke produktie is omvangrijk (je blijft je verwonderen over de vroegrijpheid van de mensen in die eeuw), maar zijn faam berust op een klein bundeltje van negentien gedichten, de Basia of Kusgedichten, dat een geweldige invloed heeft uitgeoefend op de Europese poëzie, van Ronsard en de Pléiade-dichters via Goethe tot (zoals Guépin betoogt) de Russische acmeïst Mandelstam toe. De Basia zijn liefdesgedichten in de trant van Catullus, in verschillende klassieke metra en in een bedwelmend Latijn. Gezien het feit dat bijna niemand dat meer kan lezen en gezien het belang van Janus Secundus, is het raar dat er al niet eerder een vertaling in het Nederlands verschenen is. Deze uitgave van Guépin is echter veel meer dan een vertaling. De tekst van de gedichten en hun weergave in merendeels rijmende verzen beslaat slechts één tiende van het 600 pagina's dikke boek. (Tegen het op rijm vertalen van Latijnse, niet-rijmende poëzie kun je bezwaren hebben, maar Guépins versies doen zeer natuurlijk aan, al is het dan weer vreemd dat bijvoorbeeld het sonnet van Louise Labé, dat ter illustratie is opgenomen, niet berijmd vertaald is.) Maar wat deze uitgave bijzonder maakt is vooral het nawoord dat bestaat uit een filologische verhandeling over het handschrift, door P. Tuynman (met volgens de beste humanistische traditie een venijnige polemiek op het eind), en een essay over de dichter en zijn tijd van 300 pagina's, waaruit je van alles te weten komt over het leven der humanisten onder Karel V, dichterlijke conventies uit de renaissance, Latijnse metriek, prostitutie en geldproblemen (zo meent Secundus dat hij, op basis van zijn reputatie als erotisch dichter, pastoor van Haarlem kan worden). Af en toe voert zijn grote geleerdheid Guépin tot razernij, zoals wanneer hij een sonnet van Petrarca (als al diens sonnetten in vijfvoetige jamben geschreven) als voorbeeld van een alexandrijn (jambische zesvoeter) geeft. Maar het zou kunnen dat hij dat expres gedaan heeft, wel wetend dat er geen groter genoegen is dan het vinden van een fout in een wetenschappelijke tekst.

Natuurlijk is dit geen boek voor de top-tien, maar het is een boek dat de standaarduitgave van een belangrijke tekst had moeten zijn voor de komende vijftig jaar. En nu ligt het in de ramsj, wat betekent dat het straks niet meer leverbaar is. Het enige aardige daaraan is dat het van tijd tot tijd - voor zeer veel geld - zal opduiken in antiquariaten, tot onzegbaar geluk van de fijnproever.