Lebrecht in debat over de geldzucht van grote dirigenten; Geen maëstro's maar muziek

AMSTERDAM, 2 SEPT. Het tijdperk van de dirigent loopt ten einde. De mythe van de maëstro bladdert af, de groten sterven uit. Rond deze provocerende stelling schreef de Britse auteur Norman Lebrecht een spraakmakend boek dat vorig jaar in Nederland verscheen. Op uitnodiging van de NOS en de Volkskrant hield Lebrecht gisteravond in de Kleine Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw een lezing ter gelegenheid van het derde Kirill Kondrasjin Concours voor jonge dirigenten.

Het beeld dat Lebrecht schetst in De mythe van de maëstro, waarop zijn lezing was gebaseerd, is ronduit somber. Er zijn niet genoeg goede dirigenten om de vijfhonderd toporkesten in de wereld te kunnen leiden. Belangrijke posten in Londen, Wenen, Parijs en Rome blijven onvervuld. Van de generatie die na 1950 is geboren, heeft slechts een handvol de echte top bereikt. De ouderen gaan liever rentenieren dan zich te bekommeren om het doorgeven van hun erfgoed. Een kleine groep sterdirigenten reist voor reusachtige bedragen de wereld rond, maar hun roem gaat ten koste van het eigen orkest. Het publiek verwacht in de concertzaal dezelfde perfectie als thuis op de cd, een eis die elke spontaniteit tijdens de uitvoering in de kiem smoort. Machtige managers schuiven met dirigenten als pionnen in een schaakspel.

Hoewel op zichzelf niet oninteressant, vormden deze bespiegelingen in het boek van Lebrecht slechts een opstapje voor een stroom van ranzige biografische anekdotes. Geen dirigent zo groot, of er valt wel een smakelijke roddel over op te dissen. Dat leidt tot een paradox die ook aan het licht kwam tijdens de lezing en de forumdiscussie die erop volgde. Lebrecht pretendeert enerzijds dat hij de moderne dirigent wil ontmaskeren als een commerciële constructie, een mythische held in een geseculariseerde wereld. Anderzijds constateert hij met enige spijt dat de echte groten zijn verdwenen - een Toscanini, een Mengelberg, een Furtwängler. Vreemd, want hij zou juist blij moeten zijn dat het door hem zo onbarmhartig aan de kaak gestelde métier in verval is geraakt.

Het was de Amerikaanse dirigent Dorian Wilson, een van de finalisten van het Kondrasjin Concours van dit jaar, die Lebrecht vanuit de zaal met deze tegenstrijdigheid confronteerde. Het forumdebat tussen Lebrecht, Jan Zekveld en Sir Edward Downes (beiden jurylid van het Kondrasjin Concours), dirigentenmanager Nicholas Mathias en Ben Janssen, directeur van het Muziekcentrum van de Omroep, was toen al breed uitgewaaierd. Een bonte reeks onderwerpen passeerde de revue, variërend van het belang van een goede programmering, de invloed van platenmaatschappijen op dirigentencarrières, het eeuwige geldgebrek bij goedwillende orkesten en de kansen voor jonge dirigenten om ervaring op te doen.

Geen van de deelnemers aan de discussie leek te zijn overtuigd door de visie van Lebrecht. Zo vond Ben Janssen het beeld van de op dollars beluste, egotrippende maëstro niet stroken met de praktijk zoals hij die kende. Jan Zekveld verklaarde dat hij de keuze voor een dirigent liet afhangen van het programma en niet andersom. De Britse dirigent Sir Edward Downes ten slotte, stelde droogjes vast dat er wat hem betreft te veel werd gepraat over dirigenten en te weinig over muziek. Kernachtiger dan Lebrecht het ooit zou kunnen maakte Downes korte metten met de mythe van de maëstro: “Een goede dirigent maakt zichzelf onzichtbaar.”