Je eigen tuintje wieden

Ik kan niet goed uitleggen waarom ik zoveel bewondering voor mijn buurvrouw Carmen heb. Mooi is ze niet; ze is klein en bijna vierkant, haar hals zit vol donkere wratjes en ze draagt een bril met dikke glazen.

Wij wonen naast een kleine kerk en Carmen woont in die kerk: haar huis is om het schip van de kerk gebouwd. Elke morgen ga ik even kijken hoe het met haar is. Of eigenlijk: of ze nog leeft. Want Carmen is oud en bovendien is ze ziek. En ze woont alleen.

's Middags zit ze urenlang in de schaduw op een recht stoeltje. Ze kijkt strak voor zich uit. Wat ze dan doet? “Niks dan nadenken”, zegt ze zelf. “Er draait van alles door mijn hoofd.” Ze zal wel aan vroeger denken, vermoed ik. Want aan “later als ik groot ben” hoeft niet meer. Waar zou ze van gedroomd hebben toen ze nog een kind was? Niet van het leven dat ze te leven kreeg waarschijnlijk.

Toen ze trouwde kwam ze met haar man hier in de kerk wonen. Ze kregen een dochtertje. De burgeroorlog brak uit, en Carmens man werd gevangen genomen. Omdat hij 'rood' was. Zeven jaar zat hij in de gevangenis, en al gauw stuurden ze hem naar het noorden van Spanje. Toen kon Carmen haar man niet meer op gaan zoeken en geen eten meer brengen, want ze had geen geld voor de reis. Elke morgen liep ze met haar kind naar de stad en werkte er als dienstbode. Elke avond laat liep ze terug.

Toen haar man vrijkwam, ging hij met koperwerk langs de huizen. Nu nog hangen er grote, glanzend gepoetste braseros in haar huis tegen de witgekalkte muren. Er kwamen nog zes kinderen, vaak was er niet genoeg te eten en ze hadden nauwelijks kleren aan hun lijf.

Het is negen uur 's morgens. Ik hoor Carmen bezig en ga haar dagzeggen. Ze heeft de geraniums en de anjers al water gegeven en het plaatsje geschrobd. Ze heeft buiten in de wasbak een onderbroek, een schort en een handdoek gewassen. Die hangen aan de lijn. Nu is ze bezig de stoelen schoon te boenen met zeep die ze zelf heeft gemaakt, van bakolie die andere mensen weggooien. Er staat bij Carmen een foto op de kast van haar en haar man. Zij is daarop een mooie, jonge meid, hij een leuke jongen. Misschien was toen alles min of meer zoals Carmen zich het gedroomd heeft als kind, “later als ze groot was.”

Carmen heeft vast en zeker nooit van Voltaire, de Franse filosoof, gehoord. Ze kan niet eens lezen of schrijven. Die Voltaire heeft iets gezegd wat heel simpel lijkt maar dat toch zo moeilijk is dat het tijd kost het te begrijpen. Hij zei: “Ieder mens moet zijn eigen tuintje wieden.”

Misschien heb ik daarom bewondering voor Carmen, omdat zij begrepen heeft dat ze haar tuintje wieden moet. Haar hele leven lang. En Voltaire had ze daar helemaal niet bij nodig.