Het perverse modernisme van de Rolling Stones; Martha Bayles' afrekening met de mythes van de popmuziek

Martha Bayles: Hole in our Soul. The loss of beauty and meaning in American popular music. Uitg. Free Press, 453 blz. Prijs ƒ 65,65

De Rolling Stones zijn weer op tournee. De 'greatest rock 'n' roll-band on earth' noemen ze zich nog steeds, maar Martha Bayles, schrijfster van het boek Hole in our Soul. The loss of beauty and meaning in American popular music zou ze deze titel maar al te graag ontnemen. Volgens Bayles, onder meer zes jaar lang televisie-recensente van de Wall Street Journal, zijn de Rolling Stones een van de groepen die de Amerikaanse populaire muziek - en hiermee bedoelt zij de van oorsprong zwarte, in Amerikaans jargon Afro-Amerikaanse muziek - hebben geperverteerd. Om zich te onderscheiden van de commerciële Beatles presenteerden zij zich als bluespuristen, maar hun versie van de blues was verwrongen en eenzijdig. De Stones maakten een primitivistische karikatuur van de Afro-Amerikaanse muziek. Ze legden de nadruk op één van de vele elementen van de blues, de erotiek, en veranderden deze in platte seks. Anders dan hun inspiratoren Muddy Waters en Howlin' Wolf gaven de Stones zich, op advies van hun lepe manager Andrew Loog Oldham, over aan publieksverachting om de publiciteit te halen, iets waarin ze met hun middelmatige muziek alleen nooit geslaagd zouden zijn.

Na de slechte, maar opzienbarende bluesimitatie van de Rolling Stones is het er niet beter op geworden in de popmuziek, probeert Bayles te bewijzen. Natuurlijk is het nog wel mogelijk om in sommige hedendaagse muziek de 'bevestigende geest' van de blues te horen, maar “steeds meer wordt deze geest verworpen ten gunste van antimuzikale en antisociale strapatsen, die belachelijk zouden zijn als ze niet zo beledigend waren.” Hardrockers en gangsterrappers zingen en zingpraten over verkrachtingen, verminkingen, moorden, seriemoorden en zelfs kannibalisme en Bayles ziet het met lede ogen aan.

Revolutie

Wie dergelijke klaagzangen over de popmuziek leest, is geneigd te denken dat Bayles een reactionaire oude zeur is die terugverlangt naar de muziek uit haar jeugd. Met dit verwijt heeft Bayles al in de inleiding rekening gehouden. “Mijn antwoord is simpel,” schrijft ze. “De muziek die ik bewonder is niet de muziek van mijn jeugd. Het is het beste uit de Afro-Amerikaanse traditie, niet zo gemakkelijk te verdelen in de keurige decennia die zo geliefd zijn bij de experts en broodschrijvers.” In de inleiding vertelt ze nog niet precies waar ze van houdt, maar in de rest van haar boek wordt dit wel duidelijk: de jazz van Louis Armstrong en Duke Ellington, de soul van James Brown, Marvin Gaye en Curtis Mayfield. Voor de toekomst heeft ze haar wankele hoop gevestigd op muzikanten die met respect in de traditie van de Afro-Amerikaanse muziek werken: Dr John, Van Morrison, Arrested Development en Boys II Men, een rijtje waarmee ze geen hoge ogen zal gooien bij moderne rockcritici die geloven in vooruitgang in de muziek.

De inleiding zet de toon van Bayles' boek. Hole in our Soul is niet zomaar een geschiedenis van de Amerikaanse popmuziek, van het ontstaan van de jazz tot de grunge, maar wil afrekenen met allerlei mythes. Met de mythe van de rock 'n' roll bijvoorbeeld, die volgens schrijvers als Greil Marcus niets minder dan een een revolutie zou zijn geweest. De teksten van de liedjes van Elvis Presley, Jerry Lee Lewis en Little Richard waren niet gewaagder dan die van voorgangers als Louis Jordan, laat Bayles zien, en de muziek was niet ruiger dan de grote-stadsblues uit Chicago. En ook de etnische revolutie, de toenadering tussen de blank en zwart, bleef uit, ondanks de zwarte wortels van de rock 'n' roll.

Bayles is op haar best wanneer ze zulke in popmuziekboeken en -tijdschriften steeds weer herhaalde verhalen weerlegt. Niet zonder humor bestrijdt ze bijvoorbeeld de nog altijd vaak gehoorde bewering dat de commercie een vloek voor de popmuziek is. Motown, het beroemde soullabel uit Detroit, en ook Stax-Volt, het zuidelijke soullabel, hadden maar één doel: hits. Maar de muziek van Marvin Gaye en Otis Redding behoort tot het beste dat de popmuziek heeft voortgebracht.

Helaas was Bayles niet tevreden met louter weerleggingen en dus voorzag ze haar betoog over de teloorgang van 'de schoonheid en betekenis van de populaire muziek' van een theoretisch kader. Er bestaan volgens haar drie soorten modernismen in de twintigste-eeuwse kunst (het begrip postmodernisme acht ze zinloos en overbodig). De eerste is het 'introverte modernisme', dat wil zeggen de ernstige, bijna religieuze kunst die zich van de wereld afkeert en met de traditie breekt. Hiertoe rekent Bayles het werk van onder meer de componist Arnold Schönberg en de schilder Kandinsky, die geen boodschap hadden aan de wensen van het publiek. De tweede is het 'extraverte modernisme' van bijvoorbeeld Béla Bartók en Picasso, kunstenaars die streven naar vernieuwing zonder de banden met de traditie en het publiek helemaal door te snijden. En tenslotte is er het perverse modernisme, vertegenwoordigd door onder meer dadaïsten, futuristen en constructivisten. Die waren er allemaal op uit het publiek te schokken, het liefst (en het gemakkelijkst) met obsceniteiten.

Het waren de Rolling Stones, zo zet Bayles uiteen, die met hun publieksverachting het perverse modernisme in de popmuziek introduceerden. Niet toevallig hadden twee leden van deze groep, Keith Richards en Brian Jones, gestudeerd aan een kunstacademie. In de tweede helft van de jaren zestig zegevierde het perverse modernisme in de popmuziek met de Velvet Underground (protégés van de pop-art-kunstenaar Andy Warhol), de alles en iedereen ridiculiserende Frank Zappa en de ex-kunstacademiestudent John Lennon die in de ban raakte van zijn vrouw, de performance-kunstenares Yoko Ono. De apotheose van het perverse popmodernisme waren de Sex Pistols, de punkgroep die in 1976 van a tot z werd verzonnen door alweer een mislukte kunstacademie-student, Malcolm McLaren, die eigenlijk een hekel aan muziek had.

Schokkende seks

Het is misgegaan met de popmuziek toen kunstschoolstudenten zich ermee gingen bemoeien, zo laat Hole in our Soul zich grofweg samenvatten. Dat is een respectabel, ja zelfs sympathiek standpunt, maar blijkbaar vond Bayles het wat te mager en daarom dist ze haar modernisme-theorie op, compleet met gefoeter op de achterhaalde opvattingen van Theodor Adorno, Herbert Marcuse, Clement Greenberg en andere cultuurdenkers. Het is een magere theorie die haar boek onnodig zwaarwichtig maakt en die een grove, willekeurige indruk maakt. Waar begint bijvoorbeeld het perverse modernisme? De constructivisten zijn de erfgenamen van de kubist Picasso, maar toch bevindt Picasso zich in het 'goede' kamp van het 'extraverte modernisme' en zijn de constructivisten de perverselingen. Of om bij de popmuziek te blijven: als er een muzikant is die, nog veel meer dan de Rolling Stones, rare, voor velen schokkende seks tot zijn handelsmerk heeft gemaakt, is het Prince. Maar vreemd genoeg oordeelt Bayles mild over zijn werk en wordt hij niet afgeschilderd als perverseling.

Gelukkig speelt Bayles' modernisme-theorie in grote delen van haar boek nauwelijks een rol en gaat ze de popmuziek meestal te lijf met alledaagse, maar daarom niet minder steekhoudende argumenten. Zo is het heerlijk om eens proza te lezen van iemand die zich niet in allerlei bochten wringt om Madonna als groots en belangrijk af te schilderen. Instemmend haalt ze Michael Jackson aan die over Madonna zei: “Ze is gewoon niet zo goed. Laten we het onder ogen zien: ze kan niet zingen. Ze is alleen een redelijke danseres. Wat doet ze het best? Ze weet hoe ze zichzelf moet marketen.” Grof geschut gaat ze niet uit de weg: “De laatste tijd is er iets wanhopigs aan Madonna's knallen met zwepen, iets dat doet denken aan de hoer in verval die strijdt om het behoud van haar straathoek.”

Zo heeft Bayles over alle muzieksoorten, van hiphop tot grunge, en over alle vooraanstaande muzikanten, van Jim Morrison tot Kurt Cobain, wel een mening. Zelden zijn dit de meningen die men leest in de popbladen en -popboeken. Ze maken Hole in our soul tot een dwars, eigenwijs, provocerend en soms prettig ergerlijk boek.