Gezaghebbende instituten rekenen opnieuw; Mestoverschot blijkt 19 procent lager te liggen

DEN BOSCH, 2 SEPT. Het mestoverschot lag in 1992 19 procent lager dan de overheid tot nu toe aannam, zo blijkt uit herberekingen van drie gezaghebbende instituten. Daardoor heeft de overheid de boeren te hoge normen opgelegd. In plaats van 18,2 miljoen ton mest moest er in dat jaar slechts 14,8 miljoen ton als overschot worden aangemerkt.

Uitgedrukt in fosfaat, dat in de mest zit, lag het mestoverschot in dat jaar 15 procent lager. De totale mestproduktie lag in 1992 8 procent lager dan tot nog toe werd aangenomen. Dat blijkt nu het Rijkinsituut voor volksgezondheid en milieuhygiëne (RIVM), het Landbouw Economisch Instituut (LEI) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) zijn gekomen tot een uniformering van de berekeningsmethode.

Over de cijfers was altijd veel verwarring. Vorig jaar ontstond er in de grootste “mestprovincie” Noord-Brabant opschudding toen bleek dat er over de jaren 1989 en 1990 2,8 miljoen ton mest niet in de boeken was terug te vinden. Een woordvoerder van de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond (NCB) veronderstelde toen al dat het verschil werd veroorzaakt doordat men uitging van verkeerde basisgegevens.

Bij de mestwetgeving gaat de rijksoverheid tot nog toe uit van de cijfers van 1986. Daarop werden aan de hand van het in de mest aanwezige fosfaat de normen vastgesteld waarmee de veeboeren moeten werken bij het bijhouden van hun mestboekhouding. Aan de hand van die boekhouding wordt het mestoverschot vastgesteld. Met een mestoverschot wordt bedoeld de hoeveelheid mest die de boer op zijn eigen land niet kan gebruiken omdat hij anders de voorgeschreven bemestingsnormen overschrijdt.

Uitgedrukt in kilo's fosfaat gaat men bij de normering bij varkens, de belangrijkste mestproducenten, uit van 7,4 kilo per dier. Volgens de nieuwe berekeningsmethode lag die hoeveelheid in 1992 echter op 5,8 kilo. Dit komt onder meer doordat aan het veevoer fitase wordt toegevoegd. Dat is een stof waardoor het fosfaat in het dierenlijf beter wordt verteerd. Ook bij runderen en pluimvee komt men uit op lagere cijfers.

Volgens directeur J.H. Uenk van de Landelijke Mestbank zijn de nieuwe cijfers “een hart onder de riem” van de veehouders. “Wat ze veronderstelde, namelijk dat de opgelegde normering te hoog was en het mestoverschot lager ligt dan waarvan de overheid uitgaat, is hiermee bevestigd.” Uenk verwacht niet dat de cijfers over 1993 die in november bekend worden, veel zullen afwijken van die van 1992. Hij hoopt dat de overheid bij de verdere aanscherping van het mestbeleid uit zal gaan van de nieuwe berekeningsmethode. Een woordvoerder van Landbouw zegt dat dat de bedoeling is.

Overigens wil een en ander niet zeggen dat de veehouders nu ook meer dieren mogen gaan houden. De normen in de mestwetgeving worden namelijk nog aangescherpt waardoor het mestoverschot bij een gelijk aantal dieren toch nog groter zal worden.