Filmfestival van Venetië opent met kilte en geweld

Het 51ste Filmfestival van Venetië is gisteravond begonnen met Tres Irmãos van de achtentwintigjarige Portugese regisseuse Teresa Villaverde. Op het festival, dat tot 12 september duurt, strijden negentien films uit dertien landen om de hoogste onderscheiding, de Gouden Leeuw.

VENETIË, 2 SEPT. Hoewel Gianni Letta, minister van Cultuur, de 51ste editie van het Filmfestival van Venetië gisteravond pas officieel opende, had de organisatie er veel aan gedaan om dat feit te verdoezelen. Weliswaar was er allemachtig veel politie op de been en was eindelijk de laatste hand gelegd aan het gelegenheidsperkje voor het Festivalpaleis op het Lido, maar eergisteren al werd er een fors aantal films (waaronder de eerste uit het hoofdprogramma) vertoond en toen ook zette festivaldirecteur Gillo Pontecorvo de bedoelingen van dit jaar uiteen. Toch leek het alsof hij er rekening mee hield dat er nog niet zo heel veel vreemdelingen op te kleine huurfietsen door de straten koersten. Hij praatte wel maar zei weinig en herhaalde tot drie keer toe, dat hij zelf ook niet goed wist wat hij wilde zeggen. Het kwam er ongeveer op neer dat hij van mening was dat festivals weer 'echte ontmoetingsplaatsen' moeten worden, en dat 'het debat' weer gevoerd moet gaan worden. Letta begreep dat hij 'dat Utopia' niet kon bewerkstelligen, maar hij had wel geprobeerd een brug te slaan tussen de cinefiele films en de grote publiekstrekkers en om een evenwicht te vinden tussen het onbekende en jonge talent en de gearriveerde grootheden.

Te oordelen naar het hoofdprogramma kàn hij dat streven waarmaken. Van de negentien films die naar de Gouden Leeuw dingen, zijn er acht een debuut of een tweede film en vijf regisseurs zijn na 1960 geboren. De produkties zijn uit alle windstreken afkomstig. Afrika is vertegenwoordigd met Le cri du coeur van Idrissa Ouédraogo uit Burkina Faso, Zuid-Amerika met Una Sombra ya pronto serás van de Argentijn Héctor Olivera, Tsjechië met The Life and Extraordinary Adventures of Private Ivan Chonkin van Jirí Menzel en Nieuw-Zeeland met Heavenly Creatures van Peter Jackson. Trots heeft de organisatie laten weten dat voor het eerst films uit Taiwan, Hong Kong en China met elkaar wedijveren op een internationaal festival. Die uit Hong Kong, Time and Ashes van regisseur Wong Kar-Wai, is gisteren pas opgenomen in het programma.

Dat nieuwtje heeft niet kunnen verhinderen dat de aandacht van de Italiaanse kranten vooral uitgaat naar de bijdragen van eigen bodem en die van de, zij het onderhuids, tot rivaal bestempelde Verenigde Staten. Beide landen domineren de selectie met elk drie films - waardoor de schijn van een speciale krachtmeting is gewekt. Italië gaat die aan met Lamerica van Gianni Amelio, Il Branco van Marco Risi en Il toro van Carlo Mazzacurati. Uit Amerika doen mee Somebody to love van Alexandre Rockwell, Little Odessa van James Gray en Natural born killers, een bloedig pamflet over het vertoon van geweld op televisie van Oliver Stone.

Het siert directeur Pontecorvo dat hij een evenwichtige opbouw van zijn programma heeft laten prevaleren boven publicitair stuntwerk. Misschien dat de kritiek dat hij vorig jaar Steven Spielberg te zeer vertroeteld heeft met een Gouden Leeuw voor diens hele oeuvre er debet aan is, in elk geval zijn het al op kassucces geteste Forrest Gump met Tom Hanks en Wolf met Jack Nicholson naar de sector 'Notti Veneziane' verwezen. Die lijkt bedoeld als tegenhanger van het wat elitaire hoofdprogramma: ook het van actie en effecten bolstaande True Lies van James Cameron met machine-mens Arnold Schwarzenegger maakt er deel van uit. Woody Allens nieuwste, Bullets over Broadway, een komedie over gangsters en show-girls in de roaring twenties, is daarentegen buiten de competitie in het hoofdprogramma opgenomen. Het onderscheid is zo fijntjes dat het markant wordt.

Al het gewik en geweeg ten spijt, zijn de drie tot nu toe vertoonde hoofdprogrammafilms niet direct hoogtepunten. Wel zijn ze misschien tekenend voor een generatie - wat zonder meer ook iets waard is. De makers van Little Odessa, Três Irmãos (Teresa Villaverde) en Pigalle (Karim Dridi) zijn alledrie rond de dertig en hoewel de eerste Amerikaan is, de tweede Portugese en de derde Fransman, hebben hun films een bepaalde stijl en sfeer gemeen. Gesitueerd in de grote stad (New York, Lissabon en Parijs) gaan hun verhalen over kilte en geweld. James Gray heeft een thriller gemaakt zonder heilzame ontknoping en met fatale afloop, Villaverde een op bijna objectieve wijze geregistreerd portret van twee broers en een zus wier verbondenheid niet verhindert dat ze ieder voor zich ten onder gaan, en Dridi schetst een Parijs dat weinigen zullen kennen, zo zelfkantig, lelijk en gewelddadig als hij het maakt.

Opvallend is dat deze drie filmers bij vlagen een voorkeur vertonen voor reportage-achtig camerawerk: niks geen uitgewogen fotografie of esthetiek. Dynamische, soms zelfs onscherpe beelden en een hoekige, abrupte montage suggereren niet alleen vaart maar ook de urgentie om de visie van de makers op de wereld te tonen. Dat is een interessante kant, anderzijds nemen Gray en Villaverde, om een vervreemdende sfeer te bewerkstelligen, wel weer hun toevlucht tot slow-motion beelden, waarbij het omgevingsgeluid geëlimineerd is of verzwakt ten gunste van esoterische sopranenstemmen. Dat is een oudbakken oplossing - en al helemaal voor filmers van hun leeftijd.