Europa's tikkende tijdbom

“Een tijdbom die op exploderen staat.” Deze opmerking van een Londense analist van ABN Amro over de Belgische staatsschuld veroorzaakte eind vorige maand de nodige deining op de kapitaalmarkt. De analist raadde zijn cliënten aan om Belgisch schuldpapier in te ruilen voor Zweedse obligaties, kennelijk onder het motto: het is allebei verdacht, maar dan nog liever de hogere rentevergoeding van de Zweden.

ABN Amro haastte zich vanuit het hoofdkantoor in Amsterdam te distantiëren van die opmerking. Een Nederlandse bank met heimelijke uitbreidingsplannen in België doet er beter aan geen politici tegen zich in het harnas te jagen. Maar de strekking van de Londense boodschap kan rekenen op een breed draagvlak in de financiële wereld. België is, met een staatsschuld van 147 procent en een overheidstekort van 7,2 procent van het bruto binnenlands produkt, een pregnant voorbeeld. Maar overal in Europa doet de oplopende overheidsschuld een zwaar beroep op het vertrouwen van de particulieren, instituten en beleggingsfondsen die het benodigde kapitaal fourneren.

In 1983 waren de overheden van de EU-landen gemiddeld 10 procent van hun budget kwijt aan rentebetalingen, volgend jaar is dat volgens het Amerikaanse effectenhuis Salomon Brothers al 12,3 procent. De tijdbom tikt: de staatsschuld van de landen van de Europese Unie is inmiddels opgelopen van gemiddeld 57 procent van het bruto binnenlands produkt in 1991, naar volgens schatting 74 procent volgend jaar.

Het overstelpende aanbod van nieuwe staatsleningen dat in de gehele Europese Unie nodig zal zijn om alleen al de financiering van de staatsschuld te bekostigen, tempert bij voorbaat het enthousiasme bij beleggers voor nieuwe leningen. Hier geldt de simpele wet van vraag en aanbod: hoe meer schuldpapier de overheden beleggers aanbieden, hoe hoger de rentevergoeding is die zij zullen moeten bieden. Dat is een van de voornaamste redenen waarom de sterk gestegen kapitaalmarktrente, die wordt uitgedrukt als de effectieve rente op staatsobligaties, in Europa maar niet wil dalen. Die hogere rente maakt het toekomstige schuldenprobleem op zijn beurt alleen maar groter.

Hoe snel het wantrouwen van beleggers kan omslaan in inertie, bewees de Zweedse verzekeraar Skandia, een voornaam afnemer van staatsobligaties, begin juli. Toen kondigde Bjorn Wolrath van Skandia een boycot van Zweeds schuldpapier af, totdat de Zweedse overheid met een geloofwaardig plan komt om de financiën op orde te brengen. Dat wordt, met een begrotingstekort van 16,2 procent en een staatsschuld die in drie jaar tijd verdubbelde tot 81 procent van het bruto binnenlands produkt, een Hercules-taak. Wolrath's uitlating zorgde voor een dramatische koersval op de Zweedse obligatiemarkt, waardoor de rente in enkele uren tijd met een half procent opliep. De centrale banken in Zweden en Italië (dat zucht onder een staatsschuld van 125 procent van het bruto binnenlands produkt) zagen zich vorige maand zelfs gedwongen om tegen het conjunctuurbeeld in de rentetarieven te verhogen om het groeiende wantrouwen in de kroon en lire een halt toe te roepen.

Voor de gehele EU, waartoe Zweden straks ook behoort, is de beheersing van de staatsschuld een groeiend probleem. Het Amerikaanse effectenhuis Kidder, Peabody rekent voor dat de economie met een zelfde percentage zal moeten groeien als de kapitaalmarktrente (allebei gecorrigeerd voor inflatie) om zelfs bij een neutraal overheidsbudget de groei van de staatsschuld te stuiten.

Dat vereist, naast een ijzeren begrotingsdisclipline, een langdurige periode van hoogconjunctuur in Europa. De meeste beleggers lijken er nog niet van overtuigd dat beide verschijnselen zich tegelijk zullen voordoen. Poverheid laat zich bij een oplevende economie politiek moeilijk verkopen, zeker wanneer daar al jaren van bezuinigingen aan vooraf zijn gegaan.

Het verschil in vertrouwen in de noodzakelijke politieke slagkracht en de overheidsfinanciën van de verschillende EU-landen laat zich eenvoudig aflezen aan de hoogte van de kapitaalmarktrente. Het grootste vertrouwen bestaat in Duitsland, dat een kapitaalmarktrente heeft van 7,3 procent. Het laagste vertrouwen is er in Portugal met een kapitaalmarktrente van 11,8 procent. Beleggers hebben daarmee al bepaald dat de Unie keurig uit elkaar valt in een monetaire kerngroep van Duitsland, Frankrijk, Nederland, een middengroep waarin Denemarken, België, Ierland en het Verenigd Koninkrijk zittenen een restgroep. In die laatste groep zouden de Spaanse, Italiaanse, Portugese obligaties op de markt voor bedrijfsobligaties al bijna doorgaan voor hoogrenderende, maar ook hoogriskante junk-bonds.

Voor de ongelukkige 'tijdbom-analist' van ABN Amro is het daarom te hopen dat hij een disciplinaire straf ontloopt. Het bestraffen van de boodschapper van het slechte nieuws zou onterecht zijn, en zeker in de Londense City is het gebruik om het eigen oordeel met wat beeldspraak op te fleuren. Zie het, voor de zekerheid anonieme, antwoord van een analist op de vraag of de Italiaanse obligatiemarkt nog meer te lijden zal krijgen onder de voortwoekerende ruzies tussen de regering-Berlusconi en de centrale bank over de sanering van de overheidsfinanciën: “You can't kill something that's already dead.”