Europa is niet de grootste prioriteit van Duitsland

Nu Duitsland meer in het centrum van Europa is komen te liggen zal het land zich in cultureel opzicht meer op Middeneuropa gaan oriënteren. Maar waar liggen de politieke prioriteiten? Ben Knapen denkt niet dat Duitsland tijdens zijn Unie-voorzitterschap grootse Europese visie zal ontvouwen.

In de fonkelnieuwe Kunsthalle schuin tegenover de bondskanselarij in Bonn is een prachtige tentoonstelling aan de gang - prachtig en symbolisch tegelijk, want met één grote greep wordt daar geprobeerd een eeuw Oosteuropese cultuur voor het Westduitse publiek vertrouwd te maken. 'De Eeuw van de avantgarde in Midden- en Oost-Europa' zo heet de expositie. Wie dan oog in oog staat met vooroorlogse architectuur in Riga, met de typografie van oude literaire tijdschriften uit Praag, Warschau, Lubljana en Petersburg, realiseert zich weer hoe sterk de verwevenheid is tussen Duitse en Oosteuropese cultuur. Hoewel het in politieke zin twijfelachtig is om te spreken over Midden-Europa, omdat dan immers de suggestie wordt gewekt dat Duitsland zijn heil niet langer in het Westen zou zoeken, onderstreept de avantgarde-selectie tegelijkertijd hoe volstrekt natuurlijk het in culturele zin juist weer wel is om Mitteleuropa als verzamelbegrip te benutten. Dat gebeurt dus ook.

Duitsland verandert. Het gaat om kleinigheden en om historische verschuivingen. Op de autosnelwegen neemt het aantal oudere Amerikaanse sleeën van Amerikaanse beroepsmilitairen af. In plaats daarvan rijden auto's met Poolse kentekens op de voorzichtige rechterbaan, vakantiegangers, klusjesmannen of - in Berlijn - theaterbezoekers. De verhuizing van het Duitse regeringsapparaat van Bonn naar Berlijn, minder dan honderd kilometer van de Poolse grens verwijderd, is weliswaar nog lang niet gerealiseerd, maar de ontwikkeling is geleidelijk aan onomkeerbaar geworden. Duitsland verschuift.

Van Amerika tot Nederland gaan stemmen op om zich meer te richten op Duitsland, nu dit land groter is geworden en opnieuw in het centrum van Europa ligt. Maar waarop richt Duitsland zich zelf? Welke positie streeft het na? Welke prioriteiten formuleren hun politieke leiders?

Voor zover het om oerinstinct gaat, blijft de Duitse bondskanselier Helmut Kohl een vertrouwde en betrouwbare factor. De verbroedering met de vijanden van weleer, de vroege herinnering aan de Care-paketten en het trauma lange tijd morele outcast in Europa te zijn geweest - dat zit Helmut Kohl in de poriën. En zoals het er nu naar uitziet, blijft deze vertrouwde factor voorlopig aan de macht. Na alle geweeklaag over de economie heeft Kohl dit voorjaar op onovertroffen wijze een media-offensief ingezet op de golf van het eerste nieuwe conjunctuur-optimisme. Zijn uitdager is gekrompen en in de eigen christen-democratische gelederen heeft de macht van Kohl dynastieke trekjes gekregen. Met de zelfspot die bij zelfvertrouwen hoort, heeft Kohl het inmiddels over zichzelf als een 'verouderd model' dat een 'fenomeen' is geworden en hoewel het charisma van de man beperkt is, hoor je Duitsers zelfs spreken over 'onze dikke'. Alsof er niets is veranderd, houdt Kohl zelf stug vol dat de Europese Unie zich ontwikkelt tot een Verenigde Staten van Europa. Op het laatste congres nam hij nog het begrip 'bondsstaat' in de mond, al is het in de eigen politieke gelederen ook geen onomstreden term meer.

Toch is met Helmut Kohl alleen de vraag naar de prioriteiten van Duitsland niet beantwoord. Het land is simpelweg een reusachtige kolos in Europa geworden, met tachtig miljoen inwoners en een bruto nationaal produkt dat groter is dan dat van Frankrijk en Groot-Brittannië samen. Met de eenwording heeft het land zijn soevereiniteit en bewegingsvrijheid teruggekregen en na de jongste uitspraak van het Constitutionele Hof in Karlsruhe gelden voor Duitse troepen ook geen formele beperkingen meer om via internationale organisaties op te treden en daarmee kleur te bekennen.

Achter het brede lichaam van Helmut Kohl zijn er discussies. Om te beginnen is er het traditionele gemopper over de hoge bijdrage van Duitsland aan de Europese Unie-kas en de irritatie over staatssubsidies en concurrentievervalsing in andere lidstaten. Dan zijn er in het hoogste financiële college, de bankraad in Frankfurt, nog altijd sceptische geluiden te horen over de gevaren van een euromunt. Maar tot op zekere hoogte gaat het daar nog om tempo en techniek, niet om de politieke richting. Bovendien, het uur U van de monetaire integratie is nog vijf jaar verwijderd, hetgeen als geruststellende gedachte wordt ervaren.

Daar komt intussen echter wel bij dat de nieuwe deelstaten geen enkele affiniteit met het Europa van Brussel voelen. Na de excursiegolf van de eerste jaren, groeit in de vroegere DDR sowieso de behoefte naar regionale geborgenheid weer. Maar bovendien zijn de Oostduitsers na veertig jaar DDR nationaler georiënteerd dan de Westduitsers. Heeft men hier eindelijk de harde D-mark en dan moet dat nu weer worden vervangen door iets uit Brussel, zo luidt de verzuchting. De Europese Unie betekent voor Oostduitsers na alle ingrijpende veranderingen weer een nieuwe onzekerheid erbij.

De behoefte de uitbreiding van de Europese gemeenschap in oostelijke richting te versnellen vormt een uitzondering op dit sentiment. Dat is een 'Oostduits belang', wil de regio niet voortdurend worden geconfronteerd met de kloof tussen rijk en arm en alle destabilisering vandien in de grensgebieden. Maar mocht zo'n uitbreiding van Europa met een verzwakking van de Unie in Brussel gepaard gaan, dan is het niet iets waar politici in de Oostduitse deelstaten van wakker zullen liggen. De Europese gedachte is voor hen eenvoudigweg geen onderdeel van gegroeide naoorlogse identiteit geworden zoals dat voor veel Westduitsers wel het geval is.

Wezenlijker maar veel minder publiekelijk besproken is de vraag: hoeveel Europese verankering heeft Duitsland nog nodig en met wie? De vaak als opvolger van Helmut Kohl genoemde CDU-fractieleider Wolfgang Schäuble slaat doorgaans nationalere klanken aan dan Kohl zelf. Hoewel ook Schäuble geen Duitse Alleingänge en Sonderwege bepleit, constateert hij in zijn jongste boek (Der Zukunft zugewandt) gemakkelijker en opgeluchter dat Duitsland eindelijk weer in het Europese midden ligt, eindelijk weer soeverein is. Men bespeurt meer opluchting over de nieuwe vrijheid dan ongemak over de grotere verantwoordelijkheid.

Een Duitse bestuurder met een geboortejaar na 1945 analyseert de overgang zo: “Tot nu toe hebben wij in Europa verantwoordelijkheid gedragen vanwege onze afhankelijkheid en vanwege onze schuldgevoelens, de grote kunst is nu om verantwoordelijk, terughoudend te blijven terwijl de schuldgevoelens verdwijnen.” Een hoge Duitse diplomaat formuleert het vergelijkbaar maar eerder met de lessen van Bismarck in het achterhoofd: “Onze Europese koers is essentieel, want wij hebben zoveel massa dat het anders kritisch wordt”. En een Duitse parlementariër zegt het aldus: “We moeten leiding geven zonder dat iemand het merkt. Met andere woorden, het probleem Duitsland valt niet op te lossen maar het kan een betere context krijgen.”

Dit halfjaar is Duitsland voorzitter van de Europese Unie. In deze periode wordt het programma van Maastricht trouwhartig uitgevoerd. Dat wil zeggen, het juridisch ingewikkelde en gevoelige Europol-statuut moet worden vastgesteld (waarschijnlijk wordt het een voorlopig proef-statuut); het Uniefonds moet worden vastgelegd en toebedeeld; een inventarisatie van handelsvraagstukken voor de Oosteuropese aspirant-leden moet worden vastgesteld. Ten slotte maken Duitse politici veel werk van de samenwerking met het Europese parlement dat een aantal nieuwe bevoegdheden heeft gekregen.

Daarnaast sleept elke bewindsman zijn Europese collega's mee naar zijn kiesdistrict voor een of andere conferentie. Op 16 oktober zijn er immers verkiezingen en een voorzitterschap van de Unie biedt mediagenieke momenten.

Maar verder zijn er weinig spectaculaire Europese vergezichten te verwachten van dit Duitse voorzitterschap. Al was het maar omdat ze er niet zijn. Men wordt met allerlei tegenstrijdigheden geconfronteerd. Enerzijds is er druk om de Europese Unie uit te breiden - een druk waaraan niemand zich kan onttrekken. Anderzijds is er het klassieke verlangen naar verdieping, c.q. verankering, van de Europese samenwerking met de klassieke westelijke partners. In de bankwereld is er dan ook nog eens het nodige wantrouwen tegen zulke verankering, wanneer dat ten koste gaat van de stabiliteit van de eigen munt. En in defensiekring is er ten slotte de nodige argwaan tegen al te veel militaire verankering in Europa, want het leger heeft de afgelopen decennia haar status en zelfvertrouwen niet aan Europa maar aan de Verenigde staten te danken. (In Duitse legerkring hoopt men derhalve vurig dat Hans van den Broek de NAVO gaat leiden, maar dat terzijde.)

Dat alles betekent dat grote Europese concepten in Duitsland niet worden verkondigd, gewoonweg omdat er geen concept te bedenken valt dat een antwoord geeft op zoveel politieke, economische en militaire dilemma's van zo'n groot land op zo'n onhandige plek in Europa. In zoverre is ook het jongste initiatief van Kohls CDU om verder te werken aan een kern-Unie (Frankrijk, Duitsland, België, Luxemburg en verdere liefhebbers) een van de vele ad-hoc-stapjes om zowel de oostelijke buren uitzicht op toetreding te bieden als Frankrijk een parade-rol te bieden in de kern van Europa.

Emotioneel en historisch bepaald loopt dwars door alle tegenstellingen en onzekerheden ten slotte een buitenlands-politieke reflex en die heet Frankrijk. Zonder Frankrijk is er teveel Duitse kritische massa, zonder Frankrijk valt er geen onopvallende leiding aan Europa te geven. Irritatie van buitenaf jegens zo'n Frans-Duitse as horen Duitse politici wel, maar zij zullen zich telkens weer van zulke kritiek weinig aantrekken. Al was het maar omdat elk alternatief teveel naar Alleingang riekt en Duitsland zelf te onzeker maakt.