Eerbetoon aan de kindsheid; Zorgeloze roman van Huub Beurskens

Huub Beurskens: Wilde boomgaard. Uitg. Meulenhoff, 173 blz. Prijs ƒ 29,90

In het slotgedicht van zijn laatste bundel Aangod en de afmens nam Huub Beurskens alvast een voorschot op zijn nieuwe roman Wilde boomgaard. Een ik-figuur neemt het in het gedicht 'Eigennijd' op tegen zichzelf. Hij zou de poliep in zijn eigen ingewanden willen zijn, een tumor in zijn hoofd of een trombose in zijn hart, om daar vervolgens, veilig beschut in zijn eigen lichaam allerlei binnenpretjes te kunnen koesteren.

Binnenpretjes is een bescheiden woord voor de galgehumor die in dit gedicht tot uitdrukking komt. Wat hij lijkt te willen bewerkstelligen, is niets minder dan zijn eigen sloop. Afgunstig moet hij tenslotte toegeven dat zijn verlangen vergeefs is, want 'buiten moet ik blijven', en, mooi paradoxaal, 'straks/wordt me mijn benijden nog het graf.'

Dit verlangen om er niet, maar tegelijk op een stiekeme manier ook weer wel te willen zijn, dit gejongleer met leven en dood, is in veel van Beurskens' werk terug te vinden. Maar in Wilde boomgaard krijgt het wel een heel bijzondere uitwerking. De pogingen van de hoofdpersoon om alleen van binnen en niet van buiten te leven, om er alleen voor zichzelf te zijn en niet voor de wereld, zijn even hardnekkig als hilarisch.

Beurskens wekt enigszins de indruk herinneringen op te halen aan zijn eigen jeugd, en ik sluit niet uit dat in de stoethaspelige hoofdpersoon Lerrie iets van de jonge Huub terug te vinden is. 'Me pater T. (-) heugend', zo luidt de opdracht, die aan de roman vooraf gaat. Erg verguld zal de aangesprokene, als hij nog leeft, er intussen niet mee zijn, want de pater die in de roman figureert, is een dubieuze figuur die al snel zijn priestergelofte breekt, om met het begeerlijkste meisje uit het dorp in het huwelijk te treden.

Voor het overige zijn de herinneringen die in Wilde boomgaard worden opgehaald nogal fragmentarisch en, zoals te doen gebruikelijk bij Beurskens, aan de fantastische en absurde kant. Een losgeslagen roman is het, met weinig verhaal en des te meer zintuiglijke gewaarwording, al laste hij wel een mooi eilandverhaal in, over een andere wereldvreemde jongeman. Gewrochte passages, met veel adjectieven en eigenaardige zinsconstructies worden afgewisseld met koddige, puntige alinea's vol spreektaal. Hooggestemde overpeinzingen staan broodnuchtere dialogen niet in de weg.

De feiten worden, om zo te zeggen, onder onze neus door de verbeelding van de hoofdpersoon bijgekleurd. Een van zijn klasgenoten omschrijft hij bijvoorbeeld zo: “Ondanks dat Heize als enige van ons twaalven een korte broek draagt, zelfs nog op een avond als deze, worden zijn knieën nu bedekt door in een scherpe plooi vallende, ongetwijfeld gevoerde pantalonpijpen.” Om feiten is het Beurskens ook niet begonnen. De roman spitst zich toe op een paar netelige momenten, enkele schrille episoden uit het leven van Lerrie, die duidelijk een katholiek jongetje is. Met kennelijk plezier zet Beurskens wonderbaarlijke verschijningen en verdwijningen op touw en er wordt Gezelliaans gezwelgd in de natuur. Met de heilige drievuldigheid wordt naar hartelust gegoocheld en zijn hoofdpersoon heeft alles in zich van een kluizenaar. Hij staat ver af van de wereld, die hem bevreemdt en verontrust, maar waarvan toch al het leed op zijn schouders lijkt te rusten. Om iedere schijn van verbondenheid met zijn naasten te vermijden, noemt hij zijn ouders 'mevrouw moeder' en 'meneer vader'.Net als de ik-figuur uit het eerder genoemde gedicht 'Eigennijd', lijdt hij aan een extreme vorm van zelfobjectivering. Hij heeft het over 'dit ik' als hij zichzelf bedoelt, en zijn ledematen en ingewanden hebben de neiging hun eigen weg te gaan. Zijn handen opereren min of meer autonoom. Ze grissen bijvoorbeeld een scherp mes van tafel, of maken een wanhoopsgebaar. “Met open palmen drukken ze zich jammerend tegen mijn gezicht”, zo heet het, als Lerrie weer eens iets onherstelbaars meent te hebben gedaan.

Hoe afstandelijk en verdekt hij zich ook opstelt, steeds waant hij zich bespied. “Nergens vermag ooit iets echt beschut en verborgen te zijn,” overpeinst hij. “Dus altijd en overal word je in het oog gehouden, geketend, gecontroleerd en bepaald door een of andere horizon. En hij weet dat het ergste nog moet komen: de volwassenheid, die een mens veroordeelt tot 'toerekeningsvatbaarheid, paardwang en onderhoudsplicht'. Om aan deze gruwel te ontkomen, besluit hij om in één klap oud te worden, het leven over te slaan en van het ene moment op het andere 'een knakker van over de tachtig' te worden, die niet meer voor vol wordt aangezien en daarom zal kunnen genieten van alles wat het leven aan hommelgezoem, watergeklots, bloemenweelde, vogelgezang, geuren en kleuren, aan onbezoedelde schoonheid kortom, te bieden heeft. Alleen een schrijver kan zich zoiets nog permitteren: de truc met de tijdmachine. Sommigen zullen de truc, die bovendien half mislukt, wat flauw vinden, maar hij wordt met veel verve en met spannende, dramatisch-komische verwikkelingen uitgewerkt.

Beurskens schreef een zorgeloze roman over een allerminst zorgeloos onderwerp. Niets minder dan het menselijk bestaan stelt hij hier aan de orde. Op elke bladzijde klinkt afkeer door over het leven dat de mens dagelijks voor vervelende verplichtingen en compromissen stelt, voor zelfverloochening, corruptie en vernedering. Maar je zou ook kunnen zeggen dat Wilde boomgaard een eerbetoon is aan de kindsheid, aan de vrije verbeelding, aan de zintuigen en aan de geest die alle kanten op mag waaien.

De waarheid zal, zoals altijd, wel in het midden liggen. Meer dan een glimp van de zo fel begeerde wilde boomgaard, waar alles mag en kan en waar niets hoeft, vangt Beurskens held niet op. In plaats van in de gezegende ouderdom, komt hij in het volle leven terecht, niet toevallig, denk ik, in zijn vierenveertigste levensjaar: de leeftijd van zijn schepper. De wrede boodschap van deze roman zou wel eens kunnen zijn dat hij de rest van zijn leven maar op eigen kracht moet zien door te komen, net als elke andere sterveling.

Fragment uit: Huub Beurskens - Wilde Boomgaard

“Natuurlijk ben je als echt oud kereltje niet zo watervlug als een piepjong ventje. Bergop gaat het met gepuf, gehijg en met stilstaan om de twee meter. Door het bos gaat het van slofslofslof. Maar - winst! vrijdom! niets en niemand meer achter je aan, je opjagend, je dwingend naar een volgende levensfase, je uit de kindsheid verbannend ... integendeel! Slofslofslof. Nee, je bent niet meer klein en buigzaam om je onder afrasteringen door te wurmen. Nooit vang je meer met je handen een hagedis. Je kunt niet meer op je hurken in de beek zitten, de handen gespreid onder water om ze plotseling te laten grijpen, grissen. Misschien vang je, zittend bij de beekkromme, nog een keer een heel klein visje, in een keukenzeef of -netje aan een lange, beverige stok, met veel geduld en nog meer geluk. En dat visje is je dan zo kostbaar dat je het koestert, dat je het jamglas waarin het in groen water slijmig op de bodem schommelt weken met je meezeult. Maar dan is het ook over, van de ene dag op de andere (-) laat je het glas uit je handen vallen en slof je, zonder je er ooit nog op enigerlei wijze om te bekommeren, heen.”