De jaren tachtig in steen; Het frivole Groninger Museum van architect Alessandro Mendini

Het nieuwe gebouw van het Groninger Museum is met niets, met geen enkel ander museum, met geen enkel ander bouwwerk te vergelijken. De Italiaanse architect Alessandro Mendini maakte van het museum een kunstwerk, waarin de scheidslijnen tussen architectuur, styling en design zijn geslecht.

Het balkon dat als de rechte boeg van een eerste-wereldoorlogkruiser puntig uit de gouden toren naar voren steekt, hoort bij de kamer van museumdirecteur Frans Haks. Het is de vraag of hij met zijn korte, grijswitte kapsel boven de zware borstwering zal uitsteken, maar als Haks het ooit waagt op deze demagogische plek plaats te nemen, desnoods op een kistje, dan zal de gelijkenis met het beeld van Mussolini op het balkon van het Romeinse Palazzo Venezia onvermijdelijk zijn. Het verheven optreden boven het elegante, ovale voorplein van het nieuwe Groninger Museum zal zeker geen huiveringwekkend karakter dragen, zoals het historische oorlogsbeeld in 1940 in Rome. Integendeel, het zal de indruk wekken van een vrolijke parodie, een klein mannetje op een overdreven robuust balkon in een brede lijst van glasmozaïek waarin de kleur blauw overheerst. De pontificale rand omlijst niet alleen de balkondeuren van de directeurskamer op de eerste verdieping, maar daaronder ook de hoofdtoegang tot het museum. De hoge poort is uitgespaard uit de rechthoekige toren die is bekleed met goudlaminaat, en op elk van de vier hoeken van het platte dak staat een fiere, blauwe speerpunt.

De depottoren, de blinde schatkamer van het museum, doet denken aan een islamitische tempel of een Egyptische tombe, zoals vrijwel elk onderdeel van dit wonderlijke museumeiland van de Italiaanse ontwerper Alessandro Mendini ergens aan doet denken. Een breviergang van een oud Italiaans klooster, een ovalen, romige scheepssalon van een oceaanreus uit de jaren dertig met een snoer van lichtjes in het verlaagde plafond, een schilderij van De Chirico, een groengeelblauw betegeld badhuis aan de Middellandse Zee, de donkere, zware kelders van een Hollandse vesting, het intens gekleurd pointillisme van Paul Signac, de lichte, pastelgetinte interieurs van Jan des Bouvrie, de bewerkte buitenmantel van een moskee; elk fragment lijkt ergens op, terwijl het onsamenhangend geheel nergens op lijkt. Dit laatste niet in de zin dat het geheel niet deugt - dan zeg je trouwens het geheel lijkt nergens naar - maar letterlijk: het Groninger Museum van Mendini en Haks is volslagen uniek en met niets, met geen enkel ander museum, met geen enkel ander bouwwerk te vergelijken.

Nog nooit ben ik zo beladen onder de vooroordelen naar een te bezichtigen gebouw onderweg geweest. De frivole aanpak van Alessandro Mendini (1931) leek me geschikt voor een speelgoedachtig paviljoen in Disneyland voor een landenpresentatie op een wereldtentoonstelling, alleen zou ik niet weten van welk, in elk geval warm, land, of voor een decor op een reusachtige dekschuit die als drijvend toneel ten behoeve van een serie historische monsterspelen langzaam de Mississippi of de Nijl afzakt.

Circustent

Komende uit het waardige, negentiende-eeuwse station van Groningen had ik mij voorgesteld dat het nieuwe museumgebouw onmiddellijk zou opvallen als een bonte circustent die hinderlijk dominant tussen het station en de rest van de stad was geplaatst. Dat viel reusachtig mee. De dertig meter hoge depottoren is natuurlijk niet over het hoofd te zien en de tot aan de opening van het museum, op 29 oktober, in de lucht priemende ophaalbrug is een opvallend attribuut. Een open brug mobiliseert altijd de aandacht. Maar verder ligt het lage ensemble aan de overkant van het water, in de befaamde Zwaaikom van het Verbindingskanaal, er betrekkelijk ingetogen bij. De pasteltinten van de hoekige middengebouwen, de lichte aluminiumkleur van de platte rotonde en daaronder het roodbruin van de bakstenen sokkel, al deze kleuren hebben geen grote mond. Vooral door het nog in aanbouw zijnde dakpaviljoen van Coop Himmelblau neemt het visuele lawaai toe naarmate je de donkerblauwe magneet nadert die als museumpoort het begin aangeeft van de toegangsweg over de ophaalbrug. Maar overdreven aanstellerig is het vormen- of kleurengeweld niet, gezien vanaf de stationsoever.

Voorzichtige ramingen fluisteren dat als de ophaalbrug eenmaal is neergelaten, gemiddeld anderhalf miljoen voetgangers per jaar deze nieuwe, rechtstreekse weg van het station naar de binnenstad van Groningen zullen kiezen. Dit betekent dat deze stroom het terras van het museumcafé zal passeren en, met aanhoudend mooi weer, zelfs zal doorkruisen want dan worden ook aan de andere kant van de wandelbaan op het met romantische promenade-hekken omzoomde, pier-achtig plein, de stoeltjes en tafeltjes buiten gezet. De ramingen fluisteren voorts dat het nieuwe museum per jaar op minstens honderdduizend bezoekers zal mogen rekenen.

Behang

De van diepe nostalgie doortrokken verzuchting van George Steiner bij de opening van de Salzburger Festspiele, dat de kunsten in Europa zijn verworden tot behang, tot koffietafel-esthetiek, krijgt in het nieuwe Groninger Museum een vrolijke dimensie. Hier is, letterlijk opgevat, de door Steiner zo betreurde 'verwording' tot een van de uitgangspunten van het museumbeleid gekozen. In de kamers van het personeel liggen vloerkleden van Roy Lichtenstein, Frank Stella, Milton Glaser, Mimmo Paladino, Zaha Hadid, Gaultier en Coop Himmelblau, kleurige creaties van beeldend kunstenaars, architecten en ontwerpers die in het Groninger Museum met liefde door elkaar worden gehaald. In het verwervingsbeleid wordt geen onderscheid gemaakt tussen een sculptuur van een professionele beeldhouwer, een koffietafel van Sottsass, of een asbak in de vorm van een bliksemschicht, ontworpen door Mendini. Ook de scheidslijnen tussen architectuur, styling en design zijn in het paradijs van Haks al lang geleden geslecht.

In het begin van de jaren tachtig werd de directeur van het Groninger Museum aangestoken door de betoverende kracht van de omnipotente designbewegingen Memphis en Alchimia die vanuit Milaan de wereld veroverden. De aanvoerder van Memphis, de veelzijdige Ettore Sottsass, heeft alles gemaakt wat te ontwerpen valt en alles ontworpen wat te maken valt, van huizen tot schrijfmachines. De toetsen van zijn schrijfmachines voorzag hij van pasteltinten, niet alleen om het tikken te vergemakkelijken, maar ook om de schilderkunst de industriële maatschappij binnen te smokkelen. Alessandro Mendini, de duizendpotige voorman van Studio Alchimia, stelde zich met zijn conceptuele designopvatting altijd teweer tegen massaproduktie en koestert een definitie van design die hij evengoed voor architectuur laat gelden. Vrij vertaald zegt hij: Architectuur is teer, bedriegt zichzelf niet, blijft altijd in de buurt en vergezelt rustig en vriendelijk het leven en de dood van de mensen die ervan houden.

De ruimtes die lijken in- en uit te ademen, de schaamteloze, maar nooit valse kleurencompositie, de zorgvuldige afwerking van de nu al legendarische, centrale mozaïektrap tot elke deurknop - dit alles verraadt zoveel van de milde, ironische wijsheid die ook in Mendini's definitie van design/architectuur schuilgaat, dat deze bezoeker, die zo gebukt onder de vooroordelen het Groninger station verliet, eenmaal in het museumgebouw zich graag liet meeslepen in een toenemende, lichtvoetige stemming.

Hoewel uiterlijk onsamenhangend als een vlottend landschap dat organisch is gegroeid, is het interieur van het museum vrij helder ingedeeld. Links en rechts van het hoofdgebouw hebben, twee aan twee boven elkaar, vier paviljoens met een vaste bestemming en een eigen ontwerper een plaats gekregen. Staande onder de blauwe magneetpoort op de stationsoever is links, in een vierkant basement van baksteen, de archeologie en de geschiedenis van Groningen ondergebracht. De inrichting van de Milanese ontwerper Michele de Lucchi bestaat uit een verzameling kelderachtige paviljoentjes, soms uitgevoerd als een gestileerde kapel, een riddertent, of een hoek van een zeventiende-eeuwse slaapkamer en een verzameling zware, vierkante nissen voor afzonderlijke voorwerpen. Geen van de tentoonstellingsruimten heeft ramen, want Haks vindt het uitzicht op de werkelijkheid te veel afleiden, de bezoeker te veel rust gunnen - en van rust in zijn museum heeft de directeur een hartgrondige afkeer. Daar staat tegenover dat in de ruime verbindingsgangen een overvloed aan klassieke gevormde boogramen is aangebracht, vaak vlak boven het water dat het hele museumeiland straks zal omgeven.

Oneindige vitrine

Het ronde kunstnijverheidspaviljoen bovenop de archeologiekelder is ingericht door Philippe Starck, de wereldberoemde Franse ontwerper die, bij wijze van basisvoorziening, vóór de cirkelvormige binnenwand een tweede wand van glas laat volgen waardoor er een mooie, oneindige vitrine is ontstaan.

De zalen van het paviljoen voor hedendaagse kunst zijn door Mendini zelf ontworpen, met behulp van een door Peter Struycken opgesteld kleurenspectrum. Wat ruimte betreft zijn dit eigenlijk de enige conventionele museumzalen en hier openbaarde zich bij mij voor het eerst het gevoel dat ik iets miste in het nieuwe Groninger Museum, ik miste de kunst.

Hoewel ik het gebouwencomplex nagenoeg helemaal had doorkruist was mij niet eerder de afwezigheid van kunst werkelijk opgevallen. Ja, in de lichte, zachtgele caféruimte met gelukkig veel ramen die uitzicht bieden op het aristocratische station en op het ijzige hoofdkantoor van de vroegere PTT, ontworpen door Van Gool, werd mij nadrukkelijk verteld dat hier géén kunst, of zo weinig mogelijk kunst zou worden opgehangen. Dat verbaasde mij niets, want de ruimte, met prachtig vormgegeven, half in de muur verzonken lampen, was zo al mooi genoeg. Betekent deze ervaring dat in Groningen nu het voorbeeld staat, of liever drijft - water relativeert architectuur - van een museum waarmee een eind is gekomen aan het dienstbare, aan de kunst onderworpen museumgebouw en dat het museum nu zelf kunstwerk is geworden?

Het ligt in de aard van het museum van Frans Haks dat kunst en architectuur volstrekt gelijkwaardig worden geapprecieerd, waarbij niet vaststaat wat tot kunst en wat tot architectuur wordt gerekend. Het vrolijke ensemble van Mendini en Starck cum suis, van de ontwerpers die in de jaren tachtig hebben geholpen om design tot kunst, tot architectuur te verheffen, is derhalve de belangrijkste aanwinst voor de collectie van het nieuwe Groninger Museum. De voorwerpen, stoelen, koffietafels, schilderijen, beelden, affiches, kledingstukken, kortom de kunst die ik nu niet miste, maar die bij nadering van de negenentwintigste oktober het museum gaat bevolken, zal als overvloedige inrichting de jongste aanwinst van het Groninger Museum, het gebouw zelf, alleen maar vervolmaken.

Ode

Als eindelijk, na een roerige voorgeschiedenis die in 1987 begon met een schenking van de Nederlandse Gasunie van vijfentwintig miljoen gulden, het Groninger Museum opengaat, zal het al een jaar of tien verouderd zijn. De architectuur van het gebouw en de behaagzuchtige, verleidelijke ontwerperskunst ademen zozeer de geest van Memphis en Alchimia, dat met het museumeiland eigenlijk vooral een vrolijke, ontwapenende ode aan de cultuur van de jaren tachtig wordt gebracht.

Het meest omstreden paviljoen van het museum is tot nu toe onbesproken gebleven omdat de bouw nog niet is voltooid en de constructie van ijzeren balken en loszwevende staalplaten voor bezoekers zulke levensgevaarlijke omstandigheden oplevert, dat het nog niet kan worden bekeken. Maar van buitenaf valt er toch wel iets over te zeggen. Op het dak van het paviljoen voor eigentijdse kunst van Mendini, creëert het van origine Weense architectenbureau Coop Himmelblau een revolutionair onderkomen voor de oude kunst, voor schilderijen van Rubens, Rembrandt, de Haagse School en, natuurlijk voor Groningen, van De Ploeg. Nog veel overtuigender dan het museumgebouw van Mendini, behoren de werkstukken van Himmelblau tot een vorm van architectuur die zich als een autonoom kunstwerk manifesteert. De ogenschijnlijk toevallige ruimtes, gaten en kieren die uit de deconstructivistische visie van Wolf Prix en Helmut Swiczinsky voortkomen, worden weliswaar hermetisch met glas gedicht, dat wil niet zeggen dat deze vorm van ravage-architectuur museumzalen oplevert die zich zonder eigenbelang openstellen voor de oude kunst vanaf de zestiende eeuw. De driedimensionale creatie van Coop Himmelblau is een reusachtig beeldhouwwerk en heeft alleen met architectuur gemeen dat het als een gebouw wordt geconstrueerd en dat de bezoeker zich naar binnen kan begeven en doormiddel van trappen en hellingbanen het bouwwerk van onder tot boven op het dak kan onderzoeken en bewonderen. De architecten van Himmelblau voegen met hun kunstbouw iets toe aan het Groninger Museum dat bij de elegante Mendini niet bestaat omdat hij zo mild-ironisch is: een zware, allesoverheersende monumentaliteit. Het paviljoen van het Groninger Museum dat bestemd is voor de oude kunst, zal nooit het paviljoen voor oude kunst worden, maar altijd De Ravage van Coop Himmelblau blijven. Het is een klein, maar pregnant voorbeeld van museumarchitectuur die zich in de aandacht op de plaats van de tentoongestelde kunst heeft gedrongen, of 'zal gaan dringen' moet hier worden gezegd, want het is nog niet zo ver.

Met het oog op de vele nieuwe musea en museumuitbreidingen, ontworpen door niet de eerste de beste architecten als Aldo Rossi, Robert Venturi, Kisho Kurokawa, Abel Cahen en Wim Quist, en de slinkende gelden bij de musea om tentoonstellingen te kunnen maken, zou in de toekomst de aandacht weleens vaker eerder op de architectuur van het museum, dan op de kunst in het museum kunnen vallen. Zal dat op den duur geen raar, leeg museumland te zien geven?