De feiten en het recht

Er is een verhaal in omloop dat ooit aan een beroemde Engelse rechter de vraag werd gesteld - waarschijnlijk retorisch bedoeld - of hij nu veel van zijn tijd besteedde aan het denken over ingewikkelde juridische nuances. 'Nee', moet volgens het verhaal de Lord Justice hebben geantwoord - 'het soort problemen waar ik mij vooral mee bezig houd, is hoe twee auto's, aan weerszijden van de weg geparkeerd en deugdelijk verlicht, elkaar toch een forse aanrijdingsschade kunnen hebben toegebracht'.

Het verhaal is misschien niet waar, maar wel verhelderend. De mooiste problemen voor juristen bestaan misschien wel in het analyseren van uiterst genuanceerde rechtsregels - en de daar weer in te onderscheiden 'subnormen' - maar de harde praktijk van alledag bestaat toch vaak vooral uit het ophelderen van wat er nu feitelijk tussen de strijdende partijen is voorgevallen. Wat is er gebeurd? Wie vertelt daarover de waarheid - of beter: wie interpreteert de feiten op de minst vertekende manier?

Geen fijne nuancering van juridische regels dus, maar een simpel nietes/welles-debat over wat nu werkelijk in de aanloop tot het conflict is gebeurd. Akkoord, maar ook daarbij komen weer rechtsregels in het spel; en wat dat betreft (dwz. wat betreft die rechtsregels) wordt het juridische bedrijf tegelijk overschat en onderschat.

Overschat, door wie denkt dat er juridische middelen bestaan waardoor de waarheid heus wel aan het licht komt: de 'cross-examination' uit de televisieserie, waardoor elke keer weer de aap uit de mouw komt. Dat is dus niet zo. Het is jammer, maar heel wat apen blijven gewoon in de mouw, en zullen daar ook nooit uit komen.

Onderschat, als men denkt dat het opsporen en vaststellen van feiten alleen een kwestie is van overtuigende getuigenverklaringen, wat dramatiek, en een intuïtief oordeel van de wijze rechter. Want met alle respect daarvoor - alléén het wijze, maar subjectieve oordeel van de rechter over de overtuigingskracht van de gepresenteerde 'evidence' is een wat smalle basis voor de beslissing van juridische conflicten.

Natuurlijk, vaststellen van de feiten heeft ook te maken met het vinden van overtuigend bewijs, en met het goed presenteren daarvan. Maar er zijn nu eenmaal gevallen waarin overtuigend bewijs niet of nauwelijks te krijgen is (of waarin het juist in overdaad aanwezig is, zodat zowel eiser als gedaagde hun gelijk dubbel en dwars kunnen bewijzen). Dan zit de rechter in een moeilijk parket. Wijsheid en intuïtie zijn mooi, maar je zou in zo'n geval toch méér ter beschikking willen hebben.

Er is meer. In dit soort gevallen kan de rechter steun zoeken bij de regels over de bewijslast, verder genuanceerd door de regels over de 'stelplicht'.

De regels van bewijslast bepalen welke partij, als het erom hangt, verplicht is om háár weergave van de feiten te bewijzen. Een partij die de bewijslast heeft, verliest de zaak dus als er onvoldoende bewijs is - als beide lezingen ongeveer even aannemelijk (of onaannemelijk) zijn.

De hoofdregel van bewijslast (in civiele procedures - daar gaat het hier steeds over) is simpel: wie iets stelt moet, zodra zijn stellingen zinnig worden betwist, de juistheid ervan bewijzen. Maar in die eenvoudige regel klinkt al de nuancering door die uit de 'stelplicht' voortvloeit. In twee varianten: om überhaupt aanspraak te mogen maken op een gelegenheid om zijn stellingen te bewijzen, moet men duidelijk en concreet hebben gesteld wát men beweert, en zonodig ook: dat men dat denkt te kunnen bewijzen. Men heeft dus de 'stelplicht' om een duidelijk, concreet, en op het eerste gezicht niet onaannemelijk betoog te presenteren. En omgekeerd: voordat er bewijs nodig is, moet de wederpartij het gestelde zinnig hebben betwist. Ook die moet een duidelijke en begrijpelijke lezing van zijn kijk op de zaak hebben gegeven, waardoor twijfel aan de juistheid van het betoog van de andere partij gerechtvaardigd is.

In de rechtspraak is afweging van bewijslast en stelplicht voortdurend aan de orde. Indachtig het verhaal van de Engelse rechter, zult u meteen begrijpen waarom. Twee recente beslissingen van de Hoge Raad vormen goede voorbeelden.

In het eerste geval ging het om een medisch specialist die bij een operatie een fout had gemaakt. De fout was tijdens de operatie al opgemerkt, en hersteld. Toch kreeg de patient na de operatie complicaties. Dat was, zo kwam vast te staan, omdat de patient niet voorzichtig genoeg was geweest. De patient repliceerde echter dat hij niet had geweten dat hij voorzichtig moest zijn, omdat men hem niet had gewaarschuwd dat er bij de operatie een fout was gemaakt, die een reden vormde voor extra voorzichtigheid.

De zaak liep erop uit dat de rechter de specialist opdroeg om te bewijzen, dat hij de patient voldoende voor de gevolgen van de gemaakte operatiefout had gewaarschuwd. Bij de Hoge Raad klaagde de specialist daarover: de patient stelde dat hij onvoldoende gewaarschuwd was. Dan was de bewijslast toch voor risico van de patient? Nee, zei de Hoge Raad. Dat was in het algemeen wel zo, maar alleen als de specialist - die immers veel preciezer van het gebeurde op de hoogte moest zijn, en die ook verplicht was om nauwkeurig te administreren wat er in de omgang met patienten voorviel - voldoende duidelijk en gespecificeerd had uiteengezet, waarom het betoog van de patient onjuist was. Een min of meer vage en gratuïte tegenspraak is onvoldoende, als men over zo'n 'overwicht' aan feitelijke informatie zou moeten beschikken. Door de regel van stelplicht kwam de regel van bewijslast dus 180 graden anders te liggen.

In het tweede geval ging het om de weduwe van een ondernemer die zijn bedrijf aan een concurrent had verkocht - op krediet. Dat krediet bleek misplaatst, want er werd niet betaald. De weduwe sprak toen de direkteur-aandeelhouder van het kopende bedrijf (dat was een BV) aan. Zij stelde dat de direkteur-aandeelhouder, die zijn 'eigen' BV natuurlijk van haver tot gort moest kennen, bij de koop al had kunnen weten dat er niet betaald kon worden. Daardoor had hij de verkoper er in laten lopen. Dus moest hij, vond de weduwe, uit eigen zak bijpassen wat 'zijn' BV niet had betaald.

De wederpartij verweerde zich door alles krachtig te ontkennen. De rechter die er vóór de Hoge Raad over moest beslissen, vond dat de weduwe de juistheid van haar stellingen moest bewijzen.

Qua bewijslast, zei de Hoge Raad, is dat oordeel niet onjuist. Ook als men zo nauw met een BV verbonden is als de direkteur-aandeelhouder hier was, kan het zo zijn dat de wederpartij moet bewijzen dat men wist dat 'zijn' BV niet aan zijn verplichtingen zou kunnen voldoen. Maar als men de stelplicht erbij haalt, vond de Hoge Raad, had de lagere rechter het toch niet goed gezien. Want het ligt zozeer voor de hand dat wie direkteur-aandeelhouder is van een BV die een belangrijke koopovereenkomst niet nakomt, wist of had moeten kunnen bevroeden dat de BV niet zou kunnen betalen, dat van die direkteur-aandeelhouder mag worden verlangd dat hij concreet aangeeft waarom er voor hem geen reden bestond om zich over de goede afloop zorgen te maken. Als dat niet concreet is aangegeven, mag de bewijslast niet zomaar op de andere partij (de weduwe, dus) worden gelegd.

De Engelse rechter had dus eigenlijk geen reden tot klagen. Misschien moest hij zich vaker bezighouden met de opheldering van feiten, dan met verfijnde analyse van inhoudelijke rechtsregels - maar bij de opheldering van feiten komt meer dan genoeg nuancering te pas om elke juridische fijnproever aan zijn trekken te laten komen.