'Brussel' verdeeld over nieuwe regels eigendom media

BRUSSEL, 2 SEPT. De Europese Commissie twijfelt over de wenselijkheid van Europese regelgeving voor eigendomsverhoudingen in de media. Europees commissaris Vanni d'Archirafi - verantwoordelijk voor een goede werking van de interne markt - is voorstander van harmonisering van de bestaande regelgeving in de verschillende lidstaten, maar zijn collega's Sir Leon Brittan en Karel van Miert vinden dat Brussel zich terughoudend moet opstellen.

De onderlinge verdeeldheid kwam vóór de zomervakantie al aan het licht, toen de voorgenomen publicatie van een 'mededeling' van de Europese Commissie over de noodzaak van Europese wetgeving betreffende de media niet doorging. Volgens commissaris Vanni d'Archirafi is in het Europa zonder binnengrenzen uniforme regelgeving nodig om uitgevers en uitzendgemachtigden gelijke kansen te geven op de Europese markt. Door een eind te maken aan de huidige versnippering zou voorkomen kunnen worden dat investeerders in de media-sector noodgedwongen uitwijken naar aantrekkelijker markten buiten Europa. Daar tegenover staat de opvatting van onder andere Brittan en Van Miert dat in deze gevoelige materie individuele lidstaten heel goed zelf de spelregels kunnen bepalen.

Uit een ontwerp-mededeling die in Brussel circuleert en die zich vooral concenteert op omroepen, blijkt dat de Europese Commissie zich in ieder geval terughoudend wil opstellen. Over de inhoud van de uiteindelijke Europese richtlijn zal de Commissie nauw overleg voeren met het betrokken bedrijfsleven, zo wordt aangekondigd. De Commissie wil onder andere de luister- of kijkdichtheid hanteren als criterium om de invloed van een bepaalde omroep te meten. Volgens de ontwerp-mededeling is dat een zuiverder maatstaf dan bijvoorbeeld te kijken naar de hoeveel zenders die één persoon in zijn bezit heeft. Door de opkomst van nieuwe 'informatie technologieën' zal het aantal beschikbare en vaak op specifieke doelgroepen gerichte kanalen immers toenemen.

Als vervolg op een eind 1992 verschenen groenboek over 'Pluralisme en concentratie in de media' heeft de Europese Commissie een uitgebreide consultatie-ronde gehouden in het bedrijfsleven. Op grond daarvan komt Vanni d'Archirafi tot de conclusie dat Brussel werk moet maken van een Europese richtlijn. Dat neemt niet weg dat ook binnen het bedrijfsleven zelf en binnen de lidstaten verschillend wordt gedacht over de noodzaak van Europese harmonisering. Liberalisering van de markt wordt over het algemeen toegejuicht, maar de vrees bestaat bij sommigen dat het argument van de interne markt dient “als een mooie vlag” en dat Brussel in werkelijkheid uit is op het krijgen van grip op de markt en dus op het belemmeren van bepaalde activiteiten.

De discussie over de invloed van bijvoorbeeld uitgever Rupert Murdoch in Groot-Brittannië of over de media-belangen van de Italiaanse premier Silvio Berlusconi maakt duidelijk hoe gevoelig het vraagstuk is. De situatie in de verschillende lidstaten van de EU loopt ver uiteen. In Engeland bijvoorbeeld kan één persoon een onbeperkt aantal stations voor satelliet-televisie in bezit hebben, terwijl in Italië de limiet op 3 ligt en in Frankrijk en Spanje op slechts 1. Anders dan bijvoorbeeld in Italië en Engeland zijn in Nederland eigendom en inhoud strikt gescheiden door middel van het zogeheten redactiestatuut, dat de onafhankelijkheid van de redactie garandeert. Ook bestaat in Nederland de afspraak tussen uitgevers dat een bedrijf niet meer dan 33,33 procent van de dagbladmarkt zal bezitten. “In Nederland is dat heel goed geregeld. We hebben dus helemaal geen behoefte aan regelgeving vanuit Brussel, los van de vraag hoe je al dit soort afspraken op Europees niveau kunt harmoniseren”, aldus een zegsman.

Anderzijds kan Vanni d'Archirafi zich gesteund voelen door zijn collega Bangemann - verantwoordelijk voor het industriebeleid - die eerder dit jaar samen met een aantal Europese topindustriëlen een rapport uitbracht over de opkomst van de 'Informatiemaatschappij'. Daarin wordt gewezen op het grote gevaar dat “elke lidstaat naar aanleiding van de aan de Informatiemaatchappij verbonden nieuwe problemen en uitdagingen zijn eigen wetgeving ontwikkelt”.