België, een dadaïstisch kunstwerk; Leven met het Gents Wrattenzwijn, het Brabants Trekpaard en de Worstekop

“Het Belgische van de Belg, zijn 'belgitude', is een kwestie van levenswijze, vriendschap, urbaniteit, Nederlands en Frans - en voor die cultuur heb ik gekozen. Ik ben dus om zo te zeggen Belg geworden... waarom in hemelsnaam?” Benno Barnard over een land dat het liefst onbegrepen wil blijven.

Onlangs, na afloop van een letterkundige avond, vroeg een wat oudere Hollandse heer van het liberale type mij waarom ik nu eigenlijk Vlaming was geworden. Verzorgde glimlach. Een toon die zowel zuiver ethologische belangstelling als een vaag verwijt kon uitdrukken, maar ook het vermoeden van milde krankzinnigheid.

“God heeft een schrijver van mij gemaakt en de duivel een Nederlander,” zei ik. Die zin had ik een paar dagen eerder in mijn dagboek genoteerd en ik was er nogal trots op.

“Hoe bedoelt u?” De glimlach gleed van zijn mondhoeken in een onderkin weg.

“Ik bedoel dat onze verdraagzaamheid, ons kosmopolitisme, ons genie voor het redden van joden halve leugens zijn, onuitstaanbare clichés, ijverig door onszelf gekweekt en geëxporteerd als bloembollen...” Iets in die geest zei ik, en op slag veranderde ons nette gesprek in een experiment met de Hollandse volksaard. Zijn minzaamheid, zijn zestig jaar, alles aan hem verstarde en ontplofte tegelijk, alsof mijn woorden een reagens waren dat ik in zijn gehoorbuis had gedruppeld: de volksaard begon te schuimen, werd giftig-oranje en scheidde kwalijke dampen af. Oorlog...! Arrogantie...! Leeftijd...! Niet zodra had ik de vaderlandsliefde, die stompzinnigste van alle liefdes, belachelijk gemaakt, of ik leek op een jood die van antisemitisme werd beschuldigd omdat hij jodenmoppen vertelde. Tenslotte keerde mijn tegenstander me de rug toe, een donkerblauwe, onkreukbare rug.

Maar zijn vraag liet me niet los. Om te beginnen realiseerde ik me dat ze verkeerd was gesteld. Want wat is het Vlaamse van de Vlaming anders dan een kwestie van natuur, familie, worteling, provincie, dialect, al datgene wat men van zichzelf is zonder daar moeite voor te hoeven doen? Ik bedoel dit als een eenvoudige antropologische observatie: 'natuur' is neutraal, is goed noch slecht, is gewoon. De problemen ontstaan pas wanneer iemand zijn natuurlijkheid verheerlijkt en parfum sprenkelt over de stront waaruit hij is getrokken, respectievelijk het omgekeerde doet, zijn natuurlijkheid om intellectuele redenen veracht en pretendeert dat hij van de sterren komt of in de hele wereld is geboren. Ja, ik beken dat ik in Holland uit de stront getrokken ben: dat betreur ik ook niet. Maar ik kan dus onmogelijk Vlaming worden.

Het Belgische van de Belg daarentegen, zijn 'belgitude', is een kwestie van cultuur, levenswijze, vriendschap, urbaniteit, Nederlands en Frans - en voor die cultuur heb ik gekozen. Ik ben dus om zo te zeggen Belg geworden. Hoe... ongebruikelijk! En waarom in hemelsnaam?

Nederland heeft in de loop van vier eeuwen een democratische cultuur van, voor en door het volk ontwikkeld, die berust op een fundamentele tevredenheid van het Nederlandse volk met zichzelf, en voorts op de bereidheid van de enkeling om zijn individualiteit tot op zekere hoogte ondergeschikt te maken aan de gemeenschap, de staat, het superego, de ogen van de buurvrouw, de sussende folders van de overheid.

Dat is een waarheid als een koe. Als zoön politikon, als politiek dier, doet de Nederlander trouwens wel aan het door hem gefokte rundvee denken. Vergelijk hem met de Belg, het opportunisme van de Belg, de radicale onverschilligheid van de Belg voor zijn overheid - en het is duidelijk dat Europa in de Lage Landen twee totaal verschillende mensensoorten heeft voortgebracht. De Belg heeft eerder iets van het varken: een intelligent dier, met een ongunstige reputatie, die het niet verdient. Aards. Altijd op zijn hoede voor de slager, aan wie hij zoveel van zijn voorouders verloren heeft.

De oerpremisse van het Nederlandse staatsbestel luidt dat de overheid door God boven de Nederlanders is geplaatst, en dus in principe goed moet zijn. Dat verklaart ook waarom de aanhankelijkheid aan het vorstenhuis zo groot is, dat oudere dames veelal op koningin Juliana gaan lijken. De Belgen, als volk ontstaan uit een geschiedenis van oorlogen en bezettingen, huldigen een andere opvatting: de overheid is immoreel en de gedachte dat zij het volk beter zou maken absurd. Deze mening heeft de Belgische moraal diepgaand beïnvloed: het Belgische volk slaat zijn hoogwaardigheidsbekleders op de televisie gade - het Gentse Wrattenzwijn, het Brabants Trekpaard, de Worstekop, hun brillen, pijpen, maatpakken, hun ontvoeringen, corruptieschandalen, doopcelen, hun volzinnen en weldoorvoedheid - en besluit dat zijn eigen schilderachtige interpretatie van de wet nog steeds ruimschoots gerechtvaardigd is.

Bij God en in België is alles mogelijk, zegt een Belgisch adagium. De belgitude heeft dan ook een vrolijk, epicurisch, zacht-cynisch karakter, dat voor buitenstaanders evenwel verborgen blijft achter rolluiken, bureaucratie, vormelijkheid, distantie - de gezichtseinder van buitenstaanders in België valt gewoonlijk samen met de rand van hun restauranttafel. Die onbegrijpelijkheid van de belgitude voor oningewijden draagt omgekeerd weer bij tot de levensvreugde van de Belgische Belg, voor wie het Belg-zijn ook een strategische kant heeft: hoe minder de anderen van België begrijpen, hoe beter. In die zin is de belgitude zijn methode om onder te duiken in de geschiedenis, want zijn rijke ervaring met haar slagers van diverse nationaliteit heeft hem geleerd de schijn te koesteren als een deugd en te praktiseren als een kunstvorm. Alles bij elkaar heeft de belgitude in zijn bestaan ongeveer dezelfde functie als koolzuur in spuitwater: zij carboniseert zijn burgerlijkheid, maakt zijn fatsoen anarchistisch, zijn discretie opwindend, zijn welvoeglijkheid subversief en zijn ernst dadaïstisch.

Wat de belgitude met het dadaïsme gemeen heeft, is het ontregelen van de normale betrekkingen tussen een gedachte en haar uitdrukking - een kunstzinnig procédé dat in de Belgische politiek zijn grootste verfijning heeft bereikt, in het bijzonder dank zij de Babylonische gave van sommige politici om hun ideeën min of meer gelijktijdig in beide landstalen onder woorden te brengen. In België uitgesproken of opgeschreven zinnen betekenen dikwijls absoluut niet wat men zou menen, want de Belgen hebben zich gedurende generaties geoefend in de overdrijving, de boutade, de paradox; ze hebben in hun kranten het ongrammaticale tot stijlkenmerk verheven en in hun literatuur bloeien de groteske en de satire.

En dan hun gebaren! Die gehoorzamen vaak aan een ondoorgrondelijke semiotiek, zoals hun handelingen soms geen enkel aanwijsbaar verband houden met de beroepsbezigheid in het kader waarvan ze verricht worden. Ook de in andere culturen gebruikelijke blijmoedige logica van reclameboodschappen is niet steeds vanzelfsprekend; zo prees het Waalse heethoofd José Happart, die geen woord Nederlands kent, enige tijd geleden in een bioscoopfilmpje het Vlaamse televisieweekblad Humo aan; en toen de schrijver Geert van Istendael de kelners van het Brusselse café La Terrasse 'de onbeschoftste van Europa' noemde, vroeg de baas van het etablissement hem beleefd of hij deze tekst op de prijslijst mocht afdrukken.

De aldus op velerlei manieren gezaaide verwarring amuseert de Belgen niet alleen, maar past ook perfect in de overlevingsstrategie van de belgitude, die ons in haar eerste leerstuk voorhoudt dat België ook bezet is als het niet bezet is, namelijk door België zelf.

Een jaar of wat geleden heeft The Belgian Institute for World Affairs, onder het stukslaan van een fles rode Spa, België tot kunstwerk uitgeroepen. Zelfs zonder een nadere kwalificatie als 'dadaïstisch' is dat minder gaga dan het lijkt. Nergens anders in Europa bestaat er een zo gezonde mengeling van kosmopolitisme en provincialisme, die de verschillende Belgische ondersoorten te danken hebben aan elkaars nabijheid en hun gedeelde afkeer van een jakobijns centralisme naar Frans model. Bovendien moet ik, als minnaar van het oude Belgique à papa, toegeven dat de huidige federale staat het precieze mechaniek van een horloge heeft. Ja, België is een voorbeeld voor Europa! Europa zal Belgisch zijn of balkaniseren!

'Hoe bedoelt u?'

Ik bedoel dat het naakte bestaan van België in het Europa van de Bosnische oorlog een bewijs van beschaving is. Ik bedoel dat het voor Europa jammer is, dat Jean-Luc Dehaene monsieur Delors niet heeft mogen opvolgen als grote horlogemaker van de Europese Unie - dezelfde Delors die onlangs na vijftien jaar Brussel nog steeds niet bleek te weten dat er in Noord-België Nederlands werd gesproken.

Hoe rijm ik het bovenstaande nu met het zwak ontwikkelde patriottisme van de Belg, zijn gevoel chronisch bezet te zijn, zijn dada, zijn belgitude kortom?

In België is het gepermitteerd pro- of anti-Belgisch te zijn, pro- of anti-Vlaams, -Waals, -Brussels, en dit alles in combinaties naar keuze. Maar uit een zeer recent, door drie Leuvense academici uitgevoerd onderzoek blijkt dat slechts 10,8 procent van de Vlamingen, zuchtend onder het Belgische juk, naar een geheel autonoom Vlaanderen verlangt, en dat 0,0 procent van de Walen een zelfstandig Wallonië wenst. Met andere woorden, meer dan 90 procent van alle Belgen houdt van België, of bewondert het als kunstwerk, of erkent dat het een noodzakelijke voorwaarde voor de geliefde belgitude is, of vindt toch tenminste het alternatief nog verschrikkelijker.

De rouw om Boudewijn, nu een jaar geleden, illustreerde deze cijfers al voor ze bekend waren. Dat brengt ons op het volgende interessante verschijnsel: het Belgische patriottisme uit zich - buiten het Wereldkampioenschap Voetbal - enkel in gedempte betuigingen van koningsgezindheid. Geen Belg kent de (overigens idiote) tekst van zijn volkslied; geen Belg pocht op de kaarten van Mercator, de schilderijen van Rubens of de dynamo van Zénobe Gramme. Maar zonder monarch is België eenvoudig een technische onmogelijkheid. Het volk beseft dat en eert zijn soeverein, zij het ook niet op de akoestisch overspannen wijze der orangisten.

Massapsychologen en volgelingen van C.G. Jung zullen mij wijzen op de mythische behoefte van 'het volk' aan een vorst, een bemiddelaar bij de godheid, iemand die de banale werkelijkheid op hoog niveau dramatiseert. Natuurlijk, ook in België is dat een belangrijk aspect van de zaak. Sterker nog: het huis Saksen-Coburg-Gotha heeft vanaf zijn stichting blijk gegeven van een uitzonderlijk talent voor drama, iets wat de Belgen, met hun Latijnse inslag en hun zin voor overdrijving, opera, pathos, altijd naar waarde hebben weten te schatten. Ik herinner in dit verband slechts aan het huwelijk van Leopold II met zijn maîtresse Très-Belle, gesloten op zijn sterfbed; aan de bergbeklimmer Albert I, die in zijn eigen Ardennen een dodelijke val maakte; aan het auto-ongeluk waarbij koningin Astrid, de moeder van Boudewijn, om het leven kwam; en aan de gedwongen abdicatie van Boudewijns vader, Leopold II.

Het drama van Boudewijn zelf was natuurlijk zijn kinderloosheid, die het huwelijk van de devote katholiek in de ogen van het volk een mystieke glans verleende. Zijn weigering om de abortuswet te ondertekenen maakte hem bij velen nog geliefder: om de wet te redden moest de regering Boudewijn gedurende één dag afzetten, een extreem geval van belgitude. Toen hij stierf, was hij tweeënveertig jaar koning geweest en twee op de drie Belgen waren onder zijn bewind geboren. De staatshervorming was juist voltooid en dat maakte zijn dood symbolisch: met de vaderfiguur overleed de papa van het oude Belgique. Niet verwonderlijk dus, dat het volk zo massaal voor de poorten van het paleis samenstroomde: men had het gevoel dat het vaderland zelf was gestorven, de collectieve identiteit, de belgitude. Dat was de ware reden van het door de republikeinen zo gehoonde rouwbeklag.

Voilà, het patriottisme van een onpatriottische natie.

Boudewijns broer en opvolger Albert II, ondertussen, is een heel ander soort koning. Realist en bon-vivant. Weinig mystiek. Veel snelle voertuigen, veel politiek vernuft. Gehuwd met de dolce Italiaanse Paola, die een uitstekende Belgische is - toen het nieuws van de moord op Kennedy bekend raakte, was ze net aan het dansen en haar beroemd geworden reactie luidde: 'Dommage! Pour l'une fois qu'on s'amuse!' Paola, met haar tot de verbeelding sprekende welvingen, amuseerde zich weleens vaker, zoals uit oude jaargangen van Paris Match onloochenbaar blijkt. Haar commentaar was dus een uiting van gerijpte belgitude. Nee, het is duidelijk dat België in de personen van Albert en Paola het vorstenpaar heeft dat het verdient.

De voornaamste antagonist van Albert heet Luc Van den Brande. Hoe moet ik hem omschrijven? Deze christen-democraat, deze jurist uit Mechelen, is op zijn eigen kleinburgerlijke manier een soort visionair, die in de geest van het boek Handelingen 'vreemde gezichten' ziet, een Vlaamse republiek, een president met zijn naam, rode lopers... Anders gezegd, de brave Van den Brande pleit voor separatisme, maar voorlopig omzwachtelt hij dat harde woord nog met de zachter en socialer klinkende term 'confederalisme'. Hij onderscheidt dus als het ware de hel van het voorgeborchte, met de bedoeling zo ook die laatste 89,2 procent van de Vlamingen achter zich te krijgen. Om dezelfde reden desavoueert hij de Rode Duivels en ijvert hij voor het oprichten van een Vlaams nationaal voetbalelftal. In het buitenland maakt hij op in België goed hoorbare wijze reclame voor de merknaam 'Vlaanderen'.

Vlaams! Vlaanderen! Telkens als ik Van den Brande 'Vla...' hoor zeggen, trek ik mijn pen. Ah, die pedante provinciaal, die brullende Vlaamse muis, die...

Van den Brande, dus, lijdt aan de kwaal der flaminganten, die men zou kunnen definiëren als vaderlandsliefde zonder vaderland. Bij de gebruikelijke symptomen, verongelijktheid, weke romantiek, gallofobie, komen in zijn geval waanvoorstellingen: hij 'ziet' de Vlaamse republiek voor zich en hij 'ziet' zichzelf als haar door de geschiedenis aangewezen stichter. Om dit geëxalteerde toekomstbeeld dichterbij te brengen, heeft Van den Brande zichzelf van 'voorzitter van de Vlaamse executieve' tot 'minister-president van Vlaanderen' gepromoveerd - een ambt dat voorheen niet bestond, maar dat zijn wens moest justifiëren om in het buitenland als staatshoofd (of althans als regeringsleider van een staat) te worden ontvangen.

Staatshoofd... geen wonder dat Van den Brande nooit blijk geeft van een historische heimwee naar de Zeventien Provinciën, dat bestofte geloofsartikel van ouderwetse flaminganten: zo megalomaan is hij nu ook weer niet, of hij beseft wel dat hij in de Herenigde Nederlanden weinig kans zou maken op het stadhouderschap. Ondertussen heeft hij in zijn functie van 'staatshoofd' vorig jaar Den Haag al eens bezocht, en dat veroorzaakte onmiddellijk een lichte protocollaire paniek. Zijn laatste geruchtmakende visite was die aan het Elysée, waar ons nationalistisch orakel gedurende twintig minuten de merknaam 'Vlaanderen' mocht komen toelichten. Men kan zich voorstellen hoe de gedachten van de in het centralisme vergrijsde Mitterrand tijdens deze audiëntie afdwaalden naar het regenachtige Bretagne, waar zijn eigen regionalisten al meer dan een eeuw zitten te mokken op hun rots. Van den Brande is een paskwil van het formaat Manneke Pis.

Van den Brande is ook een gevaar voor België, helaas. Een van zijn meest perfide methodes om de Belgische staat te bestrijden is wel het volgende: als een ware poujadist hamert hij onophoudelijk op de zogenaamde 'splitsing van de sociale zekerheid', waarmee hij bedoelt dat het armlastige, zieke, wegroestende Wallonië voortaan zelf maar voor zijn pilletjes en stempelgeld moet opdraaien. Van den Brande speculeert dus op vettige, etnische zelfgenoegzaamheid; hij wekt het slechtste in de Vlamingen; en terwijl hij de oorlog tegen de Saracenen aan het Vlaamse Blok overlaat, schildert hij zelf de Walen als de joden van de Vlamingen af.

Begrijp ik de verzuchtingen van flaminganten à la Van den Brande dan niet? Jawel, maar ik ben hun dweperige, naïeve, archaïsche romantiek beu; ik verdraag hun luie, oncreatieve, steeds historischer wordende verongelijktheid niet langer, noch hun verontwaardiging wanneer ik mij na twintig jaar België een mening over dit onderwerp permitteer; ik spuug op die hersenloze zeloten van de Kleinstaaterei, die in het ergste geval het gezonde provincialisme van hun volk welbewust perverteren: ik erger me gek aan hun blindheid voor de onschatbare voordelen die België te bieden heeft, zoals het feit dat het vier miljoen Franstaligen met de Nederlandstalige cultuur confronteert, iets wat Vlaams-nationalisten naar mij dunkt toch zouden moeten toejuichen.

De provincie, la province plus sage et plus naïve, heeft mijn warme sympathie. Maar, heren flaminganten, nationalisten, provincialen, staat u mij toe op te merken dat een Vlaamse republiek een vergiftigd geschenk van Vlaanderen aan zichzelf zou zijn.

De casus van Paola bewijst dat iemand die niet in België geboren is heel goed talent kan hebben voor de belgitude. Ik persoonlijk heb mij zelfs nooit laten naturaliseren, wat voor zoiets dadaïstisch en onvatbaars als de belgitude natuurlijk ook volkomen onbelangrijk is. De omstandigheid dat ik in administratieve zin geen Belg ben geworden vloeit voort uit een subtiele vorm van denktucht: veel in mij, veel van het bovenstaande ook, is nu eenmaal Nederlands.

Wel heeft The Belgian Institute for World Affairs, waarvan de eerder genoemde Geert van Istendael grootvizier is, mij ooit tot 'honorary Belgian' benoemd - een overweldigende eer, die ik met slechts drie buitenlanders hoef te delen.

Wel hebben mijn vrouw en ik na de dood van Boudewijn een met Belgische vlaggetjes verluchte sticker op onze auto geplakt, waarop in de drie landstalen te lezen staat: 'Wij blijven Belgen, eendrachtig ter herinnering aan Z.M. koning Boudewijn'. Ik teken hierbij aan dat mijn vrouw de Amerikaanse nationaliteit bezit.

'On s'amuse'.