Wagner

Dat werd dus beton. Veel beton. Een vijver is pas echt een vijver, nietwaar, wanneer het water erin niet wegloopt. En om het niet te laten weglopen moest de kuil worden bekleed met beton. Beton was ook de enige uitweg als we een tuinhuisje wilden dat boven de waterspiegel bleef uitsteken. Alles wat ik in mijn wanhoop aan alternatieven bedacht, een voering voor de kuil van leisteen of van zilverpapier, een fundament voor het tuinhuisje van houten palen of geperste pulp van druivepitten, het verwoei tot as en rook om plaats te maken voor de enige reële oplossing, het duizendmaal vervloekte, met elke teergevoeligheid de spot drijvende, grauwheid en dood uitstralende, architectvriendelijke, alomtegenwoordige, zielloze, onvijverachtige, ontuinhuisachtige beton. In die dagen werd de oude Ottomaanse brug van Mostar vernield, en in de krant slorpte ik gretig op hoe ze die ooit hadden vervaardigd uit een mengsel van geitekeutels en eidooiers. Maar ik hoefde maar een blik op de kuil te werpen of de moed zonk me opnieuw in de schoenen. Zoveel geiten en zoveel eieren, dat haalden we nooit. Beton! grijnsde de betonduivel me toe.

De vlechters gingen aan het werk. Heel de kuil werd in een ijzeren verbandgaas gewikkeld. De simpele staaf die ik in gedachten als stut voor mijn tuinhuisje omhoog had zien rijzen werd een ingewikkelde constructie van bekistingen en vlechtdraad. Het moest, zo werd me uitgelegd. Vanwege de waterdruk. Vanwege de omvang van de kuil. Ojee, dat zou een fors tuinhuisje worden. Met een fenomenale onderwaterkelder.

De betonwagens kwamen aangereden. Het was een passende dag. Nevelslierten dreven door de tuin. De lucht was donkergrijs. Het miezerde zoals men denkt dat het alleen in Nederland kan miezeren. Uit de mist doemden ze op, de ene na de andere, de wagens met hun draaiende molens op hun rug. Als vervaarlijke Siegfrieds kwamen ze uit nacht en nevel te voorschijn, kortademig en dikbuikig, om vervolgens door rubberen slangen hun weke massa in de kuil te storten. Nog een en nog een. Eén langgerekte, hese aria van beton.

Alles had men van mij die dag met beton mogen volstorten. Mijn hart. Mijn hoop. Mijn wereldbeeld.

Toen de vijver er eenmaal was ebde ook mijn betonverdriet weg. Mijn dromen 's nachts werden allengs minder zwaar. Door het water en de zelfs al schoorvoetend groeiende leliën was het beton onzichtbaar geworden, wat men van het meeste beton in de architectuur niet kan zeggen. De waterplas ligt er nu bij of ze er altijd zo bij heeft gelegen. Af en toe hoor ik zelfs iets wat kwaakt en wat, naar ik aanneem, een kikker moet zijn. Niet exact de tropische alligator die ik voor ogen had, maar ik ben er tevreden mee.

Alleen het tuinhuisje, ja, het tuinhuisje is wat groot uitgevallen. Het kan er niets aan doen, het komt door zijn voorgeschiedenis. Er zijn verzachtende omstandigheden voor zijn misselijke omvang. Het ziet er uit als een tempel van Diana, met acht granieten zuilen op een octogoon fundament van beton. We zien het in het spiegelende wateroppervlak zelfs dubbel. Hardnekkig blijven we het ons tuinhuisje noemen, met de gespeelde vertedering in het strottehoofd waarmee men baby's aanspreekt zolang de moeder in de buurt is. Om de grootheidswaan van beton niet naar ons hoofd te laten overslaan blijft het ons huisje, al kunnen er honderd man in. Ach, een mens went ook aan een tempel, als hij maar bescheiden is. Maar wat nu weer te doen met de kelder daaronder, die in zijn beslotenheid groter lijkt dan de hele kuil ooit heeft geleken? Ik probeer er niet aan te denken.